Olivier Diepenhorst: ‘De vraag is of ze elkaars hand vasthouden als ze te pletter slaan’

Met zijn afstudeervoorstelling Berenice won hij in 2013 de ITs Ton Lutz Award, voor beste aanstormende regietalent. De Toneelschuur pikte hem op, alwaar hij vorig jaar het goed ontvangen Ashes to ashes van Pinter maakte. Dit weekend gaat zijn nieuwe voorstelling Stilte in première. Olivier Diepenhorst vertelt over zijn drijfveren om deze voorstelling te maken. “Het is een stuk dat in de kern over mededogen gaat.”

Het leek hem belangrijk daar in deze tijd iets over te zeggen, vertelt hij in de repetitiestudio van de Toneelschuur in Haarlem. Het mededogen ligt echter niet aan de oppervlakte in deze tekst, in 1984 (het geboortejaar van Diepenhorst) geschreven door de Zweedse toneelschrijver Lars Norén om drie jaar later nota bene in Nederland, bij het Publiekstheater, zijn wereldpremière te beleven.

“Het gaat over mensen die het niet gemakkelijk vinden om met elkaar te leven, en bovendien geplaagd worden door veel externe problemen,” vertelt Diepenhorst. Plaats van handeling is het ‘Standaardhotel’, een slechtlopend familiebedrijf. Vader is aan de drank, moeder terminaal ziek, de jongste zoon doet een zelfmoordpoging, en dat allemaal terwijl de financiële situatie van het gezin steeds drukkender wordt en faillissement dreigt. Het is een tekst met opvallend veel autobiografische elementen van de schrijver. Het gezin van Norén runde ook een hotel, en zijn vader zat eveneens aan de drank.

Kortom: een Zweedse tekst uit de jaren tachtig, vol autobiografische elementen. “Het is een heel persoonlijk geschreven stuk van Norén, maar juist daardoor merk ik dat iedereen er delen van zijn eigen geschiedenis in kan herkennen.” Je hoeft geen hotel te hebben, of te kampen met dezelfde problemen, om de onderlinge mechanismes te herkennen, vertelt Diepenhorst. Vaak gaan familiedrama’s over de claustrofobie van het gezin. Familie die elkaar gevangen houdt. Maar in Stilte kunnen de gezinsleden best aan elkaar ontsnappen, maar doen ze het niet. “En dat vind ik zo ontroerend. Ze blijven elkaar juist opzoeken, ook al is het maar de vraag of er überhaupt nog iets te redden valt. Mensen die elkaar de huid openkrabben op zoek naar een sprankje liefde.”

Waarom zou je zo’n zwartgallig toneelstuk willen brengen, vraagt hij zichzelf hardop af. “De omstandigheden zijn zwart, met hoge druk worden pijn en emoties opgestookt. Maar toch vind ik het troostrijk. Het gaat niet zo zeer over mensen die op het randje van de afgrond balanceren en er in vallen, eigenlijk zie je mensen het toneelstuk lang keihard naar beneden flikkeren. De vraag is alleen of ze elkaars hand vasthouden als ze te pletter slaan.”

Ook in de plaatsing van het stuk – een provinciaal, anoniem hotel – zijn actuele paralellen te trekken. In een hotel is de warmte en gastvrijheid uitsluitend een professionele aangelegenheid. Het dient een hoger, zakelijk doel om aardig te zijn. “Je ziet in het stuk dat uiteindelijk toch het bedrijfsmatige de boventoon voert. De financiële problemen van het hotel worden boven de persoonlijke problemen geplaatst, omdat die makkelijker te grijpen zijn. Dat is wel iets wat ik in onze steeds verder geëconomiseerde samenleving terugzie. Als land worden we steeds meer een bedrijf, de BV Nederland. Dat mechanisme, hoe het denken op een bedrijfsmatige manier het persoonlijke leven steeds meer corrumpeert, zit op gezinsniveau weer in het toneelstuk.”

“Ik vind dat we tegenwoordig in zo’n zero tolerance klimaat leven. Ik denk dat je met begrip af en toe ook best ergens komt. Je moet een goede scheidslijn trekken, maar steeds maar naar de ander wijzen is niet altijd de juiste weg.” Hij parafraseert één van de personages uit de voorstelling: “Ja, we weten dat papa drinkt, maar kunnen we proberen om – wetende dat hij drinkt en dat ook erg vindend – wel met hem te blijven leven?”

Voor Diepenhorst is één van de belangrijkste ontwikkelingen uit de voorstelling het moment waarop de personages ontdekken dat mededogen ook tot de opties behoort. Dat betekent niet dat alles maar met de mantel der liefde moet worden bedekt. Integendeel: tekortkomingen moeten juist aan het licht komen. “Het stuk is een hartenkreet om te proberen in het volle licht van elkaars kwade onhebbelijkheden toch een gemeenschappelijke deler te vinden om met elkaar op door te gaan.”