Castellumverhalen · Diverse Utrechtse theatermakers en schrijvers

Foto: Aafke Holwerda

Foto: Aafke Holwerda

Theatraal, historisch, educatief
Gezien: 10 september 2015, Castellum Hoge Woerd (Utrecht)
★★★☆☆

Op de archeologische resten van wat ooit een Romeins fort is geweest, opende eerder deze maand een gloednieuw theater. Podium Hoge Woerd; onderdeel van Castellum Hoge Woerd, dat behalve theater ook museum, café en educatief centrum voor milieu en natuur is (blijkens de stallen met onder meer konijnen en koeien). Deze multifunctionele instelling is gevestigd in de Utrechtse vinex-wijk Leidsche Rijn. De opening wordt feestelijk gevierd met Castellumverhalen, geschiedenissen van Leidsche Rijn.

Als een museum en een theater in hetzelfde complex gevestigd zijn, kun je er donder op zeggen dat dat elkaar gaat beïnvloeden. Net als in deze voorstelling staat in Museum Hoge Woerd het verleden van de directe omgeving (Leidsche Rijn) centraal. De samenwerking tussen theater en museum resulteert in een soort educatief-theatrale rondleiding door het gebouw, waarbij vijf keer wordt stilgestaan voor historische diepgang: de vijf scenes waaruit Castellumverhalen bestaat.

Want voor dit project hebben podium en museum samenwerking gezocht met twintig Utrechtse schrijvers en theatermakers – en stadsarcheoloog Erik Graafstal. De voorstelling bestaat uit vijf autonome scenes, elk geschreven vanuit een historisch object dat daadwerkelijk in de buurt van Castellum Hoge Woerd gevonden is. Denk aan een oude offerschaal (geduid rond het jaar 0), een stuk van een neergestort vliegtuig uit WOII, of een gouden collier uit India (circa 600-800 na Christus).

Opgedeeld in kleine groepjes loop je, geleid door twee publieksbegeleiders, kriskras door het pas opgeleverde gebouw en zijn grote binnentuin. De scenes vinden plaats in die tuin, in het gebouw en op het dak. Je komt overal, behalve in de theaterzaal. Vijfmaal stop je voor een vijftien minuten durende reconstructie.

In Magische plek van Victorine Plante en Daphne de Bruin kijken we – vanuit de stal die in het complex gevestigd is, dus praktisch omringd door koeien – naar een moeder wiens dorp geteisterd wordt door kindersterfte. ‘Het is mijn taak de Goden te vriend te houden en ik faal.’ Haar blik valt op haar zoon, die droomt, of, zoals zij zeggen, bezoek krijgt van de nachtgeesten. Vooral de setting van deze voorstelling, tussen het vee, maken deze scene tot een bijna tastbare ervaring.

Op de achtergrond, verderop in de binnentuin, krijgt een vrouw van een scheepvaarder bezoek van een monnik. Dame met gouden collier van Floor Leene en Erik Snel speelt zich omstreeks de zesde eeuw na Christus af, een welvarende periode voor dit deel van het land – dat dankzij zijn ligging aan de Rijn veel nederzettingen kende. Ook hier spelen Goden een grote rol. De monnik probeert de rijke, maar eenzame vrouw over te halen om in zijn ene God te geloven. Zij heeft vele goden, ze laat zich niet zo makkelijk overhalen. ‘Wij handelen niet in woorden.’ Maar eenzaamheid brengt ook twijfel met zich mee – laat deze tekst subtiel zien.

In Jonkers 88A-1 van Monique Corvers en Enne Koens vertellen twee veertigerjaren-schoffies hoe op 10 mei 1940, de eerste dag van de Tweede Wereldoorlog, een vliegtuig neerstortte in de wijk. Op het dak van het gebouw, dus met imposant uitzicht over Utrecht, wat de scene extra lading geeft. De jongens reconstrueren de gebeurtenissen van toen alsof ze er zelf bij waren, en stellen bovendien wezenlijke vragen over de belangrijkheid en de onbelangrijkheid van ons bestaan.

In Onwaarschijnlijke roofridder van Greg Nottrot en Paul Feld wordt het publiek betrokken in de schijndemocratie van de vijftiende eeuw. We wonen de terechtstelling van Frederik Utenham bij, bewoner van Kasteel den Ham, waarvan de resten nog steeds in het nabijgelegen Vleuten staan. Met veel flair en smeuïg spel wordt in deze scene steeds meer duidelijk dat het niet een strijd tussen de goed en slecht is, maar tussen slecht en slecht.

Maar tussen alle historische reconstructies valt nog het meest de scene Het lijk in het wiel op, dat zich niet in het verleden afspeelt, maar in het nu. Eva Tijken regisseerde de snelle, ritmische dialoog van Enver Husicic – die vol humor en sneren zit. Deze tekst gaat niet alleen over de historische vondst, maar meer nog over het publiek van de scene: de inwoner van Leidsche Rijn, die zich binnen de veilige kaders van zijn vinex-woning graag laat fascineren door lugubere vondsten uit het verleden. Terwijl ze zich met aanstekelijk plezier laten meeslepen door speculaties, vinden ze zichzelf plots in een uitgebluste relatie, in een uitgebluste wijk. Mooie kanttekening: dat vinden ze vervolgens niet per se erg.

Binnen een aangename, historische kennismaking met de wijk, en – niet te vergeten – een keur aan belangrijke Utrechtse kunstenaars, wordt in deze scene het publiek het meest met zichzelf geconfronteerd. Dat doet vragen naar meer.