Maniacs – Ulrike Quade Company

7-klein
De voorstelling nodigt uit om aan onze vooroordelen voorbij te gaan
Gezien: 16 september 2015, Bellevue
★★★★☆

 

Je moet even twee keer met je ogen knipperen als je binnenkomt, voordat je beseft dat Phi Nguyen niet met een echte, spiernaakte vrouw in de weer is, maar met een pop. Later vertelt hij dat ze Renée heet, deze real doll. Veertig kilo aan metaal en siliconen, gegoten in een levensecht aandoend vrouwenlichaam. In deze voorstelling onderzoekt Ulrike Quade Company de maakbaarheid van liefde en geluk.

Dat doen ze door het publiek een inkijkje te geven in het dagelijks leven van een jonge man en zijn op internet bestelde pop. Hij neemt haar mee naar het restaurant, naar het museum, hij praat met haar en verleidt haar. Maniacs heet de voorstelling, maar een maniak is hij geenszins. Hij vertelt rustig, beheerst, weloverwogen en vooral: van zichzelf overtuigd. Want hij hoeft niet tegen een vrouw aan te kijken die langzaam ouder wordt. Liefde lijkt altijd over ‘behoud’ te gaan, verzucht hij. Maar hij hoeft niet krampachtig zijn best te doen haar uniek te vinden. Dat is ze namelijk niet. Maar is dat erg?

In deze montagevoorstelling zet regisseur Ulrike Quade de verhouding tussen deze jonge man en zijn pop op verschillende manieren centraal. In fysieke scenes, bijvoorbeeld in de openingssequentie, waarin ze, allebei naakt, elkaars lichaam ontdekken. Maar ook via videoprojecties, waarin hij zich aan het publiek – of eerder nog aan de hele maatschappij, het doet het meest denken aan YouTube-clips  – verantwoordt. Helder beargumenteert hij zijn keuze voor zijn real doll, en vraagt de kijkers met een sluikse blik of ze het stiekem niet met hem eens zijn.

Maar de scènes waarin hij het publiek live aanspreekt zijn, binnen alle verstilde esthetiek, nog het sterkst. Simone van Saarloos schreef mooie observaties, scherpe vergelijkingen en heldere, korte betogen – die ons een inkijkje geven in de psychologie van het personage. Zo worden we via verschillende wegen aangesproken op onze eigen vooroordelen, en subtiel verleid daar even aan voorbij te gaan.

Nguyen speelt zijn personage sympathiek en bedachtzaam. Hij blinkt bovendien uit in sterk fysiek spel, bijvoorbeeld wanneer hij als een overenthousiaste hond om haar heen blijft rennen, smekend op een reactie – die natuurlijk uitblijft. De teksten van Van Saarloos zorgen steeds net op tijd voor de balans, als de voorstelling door de fysieke scènes iets teveel in dezelfde dynamiek dreigt te blijven hangen.

Aan het eind vertelt hij over de haai en de schildpad. De schildpad heeft een schilderij van een onderwaterwereld op zijn schild. De haai komt op hem af, maar zwemt er dan toch aan voorbij. En niet omdat de haai denkt dat die onderwaterwereld echt is, maar omdat een haai geen schilderijen eet.

En precies dat illustreert wat deze voorstelling zo krachtig maakt. Deze persoon is niet gek, hij is geen maniak. “Ik denk niet dat Renée echt is.” Hij gelooft alleen wel dat het onechte, ook echt is.

En met die conclusie, die zowel alarmerend als geruststellend geïnterpreteerd kan worden, stuurt hij het publiek naar huis.