Maanzucht (6+) – Wie Walvis

Maanzucht-Wie-Walvis-foto-Wie-Walvis-691x463
Wat belegen jeugdvoorstelling over verlangen en bezitten
Gezien: 22 oktober 2015, Laaktheater (Festival de Betovering) Den Haag
★★☆☆☆

 

Manus heeft alles. Schoenen die vanzelf dansen, een telefoon die zichzelf opneemt, hij heeft zelfs een heuse talenknobbel: een mechanisch apparaat dat hij op zijn hoofd kan zetten om alle talen van de wereld te spreken. Bovendien heeft hij een brief van de koningin, waarin zwart op wit bevestigd staat dat hij, inderdaad, alles heeft.

Maar hoe veel je ook hebt, het is nooit genoeg. Op een eenzame nacht merkt Manus de maan op, en hij constateert dat hij die niet heeft. Dus steelt Manus, alle waarschuwingen uit zijn omgeving ten spijt, ook nog eens de maan. Maar is dat dan het ware geluk?

Natuurlijk niet. Ook met de maan is Manus eenzaam: de maan is immers een stille en ondankbare gesprekspartner. En tot die conclusie komt ook deze hoofdpersoon, een kleine omzwerving rond de wereld later.

Het concept van deze theatertekst van Amarins Romkema zit vol potentie en spreekt al snel tot de verbeelding. Toch komt de voorstelling niet helemaal uit de verf. Manus (Albert Klein Kranenberg) is enerzijds een sympathiek maar wat dommig personage, anderzijds een arrogante egoïst. Waarom hij de maan stelen wilt is helder, maar wat hem tot inkeer brengt blijft diffuus. Is het verveling? Is het spijt? Is het angst? Daardoor is de zeggingskracht van de voorstelling ook wat vertroebeld.

Bovendien voelt deze muziektheatervoorstelling van Wie Walvis wat belegen aan – in tegenstelling tot bijvoorbeeld het eerdere Moustachio, dat veel sprankelender was en stouter. In Maanzucht, geregisseerd door Lise-Lott Kok, wordt het jonge publiek nergens verleid of uitgedaagd, maar wordt het verhaal hapklaar gereserveerd.

Er schort nog wat teveel aan deze voorstelling om de kinderen echt te confronteren met de gevolgen van hebzucht en de schoonheid van verlangen ten opzichte van bezitten. Niettemin zitten er een aantal leuke vondsten en vervreemdende elementen in. Bijvoorbeeld de twee vreemdelingen die elk woord op een uitgerekte ee laten eindigen: ‘Dit is het einde van de wee, voor jou en mee.’ Of de klanken van de zingende zaag, waardoor het lijkt alsof de maan alsnog een hoop emotie heeft. Daar wordt een beroep gedaan op de rijke fantasie van de jonge kinderen en dan komt het verhaal op een bijzondere manier tot leven. Maar daar staan in schril contrast een hoop eenduidige, uitleggerigere scènes tegenover, bijvoorbeeld de sequentie waarin Manus met de maan op wereldreis gaat en hij, met behulp van die talenknobbel, in een vrolijk lied Franse, Duitse en Spaanse woorden aan het publiek leert: de Bassie en Adriaan-associatie is hier wel erg aanwezig. Die tijd is hopelijk toch echt voorbij in het jeugdtheater.