Dit zijn de namen – NTGent

Foto: Phile Deprez

Foto: Phile Deprez

Relevante voorstelling over zoektocht naar een thuis
Gezien: 1 februari 2016, Stadsschouwburg Amsterdam
★★★★☆

Na maandenlang in een steppe te hebben rondgedoold, bereikt een groep vluchtelingen uiteindelijk dezelfde stad als waarvandaan ze zijn vertrokken. Als er in de bagage het hoofd van een zwarte man wordt aangetroffen, probeert politiecommissaris Pontus Beg te achterhalen wat er is gebeurd. Parallel daaraan voltrekt bij Beg ook een persoonlijke zoektocht naar zijn eigen afkomst. De toneelbewerking van de gelijknamige roman van Tommy Wieringa levert een relevante en goed geslaagde voorstelling op.

NTGent heeft de jonge regisseur Philipp Becker uit Duitsland gehaald. Becker werkte eerder onder andere samen met Johan Simons. Simons, sinds dit jaar artistiek leider van NTGent, was toen nog intendant bij de Müncher Kammerspiele.

Beckers regie is uitzonderlijk helder. Schijnbaar moeiteloos geeft hij vorm aan de complexe theaterbewerking van Koen Tachelet, die voortdurend schakelt tussen dialogen, monologen en meer prozaïsch werk. Hij weet precies genoeg lucht aan te brengen, zodat Dit zijn de namen bovendien een behapbare toneelavond wordt, die nergens te opdringerig wordt.

Geen poespas in zijn regie. De transformaties (een aantal acteurs speelt een dubbelrol) voltrekken zich puur in spel. Zo haalt Becker het beste in zijn acteurs naar boven: Mark Verstraete schakelt moeiteloos tussen schreeuwerige vluchteling en sympathieke rabbijn. In kleine details – een subtiele variatie in houding, mimiek, stemgebruik – maakt hij een wereld van verschil. Acteerwerk van grote klasse.

Het decor (Bettina Pommer) doet het meest denken aan een halve halfpipe, waar de personages vaak tevergeefs tegen op proberen te lopen. Dat levert, met name in de reconstructiescènes in de steppe, weidse toneelbeelden op.

Steven Van Watermeulen is als commissaris Beg een wat sullige man, die zich naarmate de voorstelling vordert steeds onzekerder opstelt. Vooral zijn scènes met de Estse acteur Risto Kübar zijn sterk. Kübar is eerst slechts een stoorzender in Beg zijn vlammmend bedoelde openingsmonoloog. Een krappe twee uur later zitten deze twee mensen met zijn tweeën voor op het toneel. Beg legt de jonge vluchteling uit dat hij in het Westen mensen zal ontmoeten die zich goed gaan voelen omdat ze hem kunnen helpen. Maar wat daarna? Een vluchteling wil geen vluchteling blijven, hij wil een leven gaan leiden. Maar wordt dat vervolgens ook aanvaard?

Indrukwekkend door zijn eenvoud, wordt in deze sterke scène de kern van de problematiek aan de kaak gesteld. Zo wordt deze voorstelling schreeuwend actueel. Wij, de toeschouwers, de samenleving, worden terloops ook met onszelf geconfronteerd.

Een diepgaand gesprek, verpakt in een ongemakkelijk moment. Zo balanceert Becker voortdurend tussen grote thematieken en kleine gevoelens. De één legt zijn hand op de knie van de ander. Een onhandig gebaar in een vriendschap die nooit stand kan houden. Daar is het de wereld niet naar. Dus gaan ze allebei hun weg, gedesillusioneerd, zoekend naar een thuis.