Het jaar van de kreeft – Toneelgroep Amsterdam

Foto: Sanne Peper

Foto: Sanne Peper

Perceval brengt fysieke benadering van Hugo Claus’ roman
Gezien: 26 maart 2016, Stadsschouwburg Amsterdam
★★★☆☆

Boven het podium hangen zeventig opblaasbare mannelijke sekspoppen. Zeventig plastic erecties, als zeventig vrij plastische zwaarden van Damokles. De scenografie van Katrin Brack windt er bepaald geen doekjes om: het is seks dat hen bij elkaar brengt, en seks drijft hen vervolgens ook weer uit elkaar.

Hugo Claus schreef een roman waar een man (Pierre, maar in de theaterbewerking blijft het koppel naamloos) op slag verliefd wordt op een jongere vrouw (Toni). Hij valt voor haar tekortkomingen, haar lelijkheid ontroert hem. Na een korte periode elkaars minnaars te zijn, verlaat zij haar man Karel voor hem. Maar hun relatie is niet duurzaam, en nog voor de zomer aanbreekt heeft zij hem alweer verlaten.

De bewerking die regisseur Luk Perceval voor Toneelgroep Amsterdam maakte, is een montage van fysieke scènes over aantrekken en afstoten, korte dialogen tussen de man en de vrouw, en prozaïsche fragmenten die letterlijk uit het boek zijn gehaald. Peter van Kraaij schreef een bewerking waarbij hij puur op het fysieke aspect van de relatie focust. Het stel wordt gespeeld door Gijs Scholten van Aschat en Maria Kraakman. Een klein kinderfietsje symboliseert de voortdurende aanwezigheid van het kindje uit het huwelijk van Toni en Karel, de almaar jengelende realiteit, die nergens rekening mee houdt. Pianist Jeroen van Veen verzorgt vanachter zijn vleugel live de muziek. Verder geen decor. Uitgestrekte leegte boven plastic lustobjecten.

De fysieke scènes zijn bij vlagen echt indringend; choreograaf Ted Stoffer zal bij de repetities nogal wat Kamasutra-handboeken hebben geraadpleegd en dat heeft lenige, esthetische choreografieën als resultaat. Maar de beeldtaal is soms ook erg expliciet. Het aanstoten en afstoten – de voortstuwende dynamiek van deze voorstelling – is vaak behoorlijk letterlijk: ze duwen elkaar weg, scheppen afstand, om zich dan weer naar elkaar toe te trekken.

Het spel is soms even slepend als de relatie tussen deze twee mensen, en dat is niet altijd een aantrekkelijke kijkervaring. Kraakman speelt de jonge vrouw bij vlagen irritant drammerig en Scholten van Aschat blijft in eerste instantie erg onbeduidend. Lange tijd mis je de genuanceerde afwegingen en nuchtere gedachtenkronkels die Claus het personage meegaf. De schoonheid die hij haalt uit deze vrouw, die in alles zijn tegenpool is en waar hij maar niet mee op één lijn komt, blijft door de louter fysieke insteek van deze voorstelling lang aan de vlakke kant.. Bovendien maakt de manier waarop Scholten van Aschat de prozafragmenten declameert het stuk soms onnodig heilig. Waar is die banale alledaagsheid die het stuk met beide benen op de grond zet?

Daar staan fraaie vondsten tegenover. De scène waarin hij haar naakte lichaam omarmt en eindelijk onomwonden emotioneel wordt, is prachtig. De momenten waarop de fysieke scènes zich over het hele podium uitstrekken, sorteren een prachtige eenzaamheid. Dan laat Perceval, juist door de ruimte te nemen, het tweetal heel dichtbij komen.

Het spel van liefde en lust schiet constant heen en weer tussen een uitdagend en plezierig spelletje en een krampachtige, moeizame verplichting. Seks als een onberekenbaar wapen in een strijd van liefde en verachting. Met uiteindelijk alleen verliezers.