Verslag Middag met gasten: het lef om anders te zijn

Foto (v.l.n.r. Noël Fischer, Aischa Cissé, Marijn van der Jagt, Luckas Moens): Leslie Oostveen

Foto (v.l.n.r. Noël Fischer, Aischa Cissé, Marijn van der Jagt, Luckas Moens): Leslie Oostveen

‘Er is al genoeg perfectie in de wereld, daar moet de kunst niet aan bijdragen’, vindt Noël Fischer. Ze is een van de sprekers tijdens Middag met gasten: het lef om anders te zijn, georganiseerd door Tweetakt en de VSCD Krekeljury. In het gesprek wordt onderzocht hoe de theatersector zich tot de afwijkende norm verhoudt.

Opvallend veel voorstellingen op Tweetakt omarmen het afwijkende en schuiven dat naar voren, vertelt dramaturg/journalist Marijn van der Jagt in haar inleiding. Welke motieven, idealen en moeilijkheden brengt dit met zich mee? Hoe sta je als theatermaker binnen een sociaal project dat ook een artistiek belang moet hebben?

Die afwijkende norm, wat is dat eigenlijk? Tijdens deze themamiddag werd dit begrip in de breedste zin van het woord opgevat: ‘mensen die qua uiterlijk, afkomst, gevoelens of thuissituatie anders zijn dan de meeste mensen om hen heen’, vatte de uitnodiging samen. Het gesprek wordt behalve door Van der Jagt geleid door Krekel-jurylid en Volkskrant-journaliste Annette Embrechts.

‘Als het in een discipline niet gebruikelijk is om af te wijken dan is het wel in de danswereld, waar een sterke norm heerst’, merkt Embrechts op. Adriaan Luteijn regisseerde The Asperger Duet bij Introdans: een choreografie waarin een professionele danser uit het Introdans-ensemble danst met een amateur met Asperger. Luteijn werkt al jaren met bijzondere doelgroepen.

Hij vertelt hoe hij dat bij het strikte Introdans faserend heeft moeten introduceren. Toen hij begon maakte hij een productie met een danseres en vier meisjes in elektrische rolstoelen, waarvan er aantal spastisch waren. ‘Eentje kon bovendien haar mond niet houden terwijl ze danste. Het was een grote, lange, uitgerekte schreeuw. Ik vond het prachtig.’ Toen de voorstelling aan het eind van het seizoen in de grote zaal speelde, hoorde hij iemand in de pauze zeggen: ‘Nou zeg, ik kom niet naar een balletvoorstelling om een schreeuwende spast te zien.’

‘Ik schrok ervan, ik was heel boos en wilde er eigenlijk meteen op af. Maar toen dacht ik: het kost ook tijd voor een publiek dat naar een balletgezelschap als Introdans komt, waar alles gelikt is, vanuit de klassieke techniek benaderd wordt en om perfectionisme draait. Ik gun ze die tijd ook.’ Dus programmeerde hij zijn voorstellingen in de kleine zaal, tegen de grote voorstellingen aan. ‘Je probeert het als pakket te verkopen en dat loopt eigenlijk heel goed. Het is altijd uitverkocht. Maar nu wordt het binnen een paar jaar tijd om een stap te maken.’

Nederland is volgens hem bezig met een emancipatie-inhaalslag. ‘Ik zou tegen mensen willen schreeuwen: hou eens op met het benoemen van die verschillen. Maar mensen moeten het ervaren. Daarom doe ik het in stapjes en bij beetjes.’

Draagt het dan ook bij aan maatschappelijke acceptatie, vraagt regisseur Noël Fischer zich voorts af? Met haar voorstelling In mijn hoofd ben ik een dun meisje (ook te zien op Tweetakt) morrelt ze aan het (vrouwelijk) ideaalbeeld. ‘Aan dat zelfbeeld, het idee van fysieke perfectie, wilden we heel hard schudden, en daar zelfbewustzijn in kweken.’ Theater moet volgens Fischer niet zozeer een stelling verdedigen, als wel vragen oproepen en schuren.

Eén van de actrices in de voorstelling is Tessa Jonge Poerink, en met haar 1 meter 25 springt ze misschien wel het meest in het oog. ‘Een klein mens’, noemt ze zichzelf, maar zou zij ooit een gewone vrouwenrol kunnen spelen, waarbij haar lengte niet centraal staat of van belang is voor haar rol? Fischer denkt van wel. ‘Misschien moeten mensen en zijzelf daar ook even aan wennen, maar op een gegeven moment is dat nieuwtje er hopelijk ook af.’

De voorstelling kreeg een hoop persaandacht. Enerzijds helpt dat mee om dit soort theater in beeld te brengen. ‘Het extreme zorgt voor publiciteit, dus je wilt dat ook benadrukken. Maar daardoor wordt die heersende norm, waartegen je je probeert te verzetten, automatisch bevestigd.’

Een goede voorstelling waar mensen met een beperking aan meedoen, helpt mensen mee over die verschillen heen te stappen, is Luteijns overtuiging. Fischer beaamt dat: je vergeet het op een gegeven moment. Het draagt dus bij aan maatschappelijke acceptatie. ‘Ook al is dat niet het vertrekdoel’, benadrukt ze.

Ook de Veenfabriek gaat binnen een nieuwe productie met mensen met het syndroom van Down en Asperger werken. Dramaturg Paul Slangen reageerde vanuit de zaal: ‘Alles wat wij logisch vinden is normaal. Maar deze mensen hebben een bepaalde andere dimensie in hoe ze naar de dingen kijken. Als kunstenaars zijn wij altijd aan het zoeken naar de grenzen van logica en automatisme.’ Via hen kunnen ze die grenzen bevragen.

In het gesprek met Krekel-jurylid en theaterdirecteur Raoul Boer van het Rabotheater in Hengelo ontstaat vervolgens een parallelle discussie: moet je theaterpubliek uit de provincie anders benaderen dan Randstedelijke bezoekers? Boer denkt van wel: hij heeft te maken met (vaste) bezoekers die hij tevreden moet houden. Hij merkt op dat de bezoekers van zijn schouwburg graag vooraf willen weten waar ze aan toe zijn. Maar Fischer denkt dat programmeurs de jeugd soms ook onderschat: ‘Ik denk niet dat het verschil tussen de jongeren in de Randstad nou zo groot is met die van Hengelo.’

Het probleem is volgens Boer dat mensen met een culturele belangstelling niet in een stad als Hengelo blijven wonen, maar naar de Randstad trekken. Het publiek dat hij heeft komt sporadisch naar de schouwburg en dat wil hij goed voorlichten. Vraag rijst of een voorstelling met mensen met een dergelijke afwijkende norm, juist door die overvloedige communicatie niet per definitie een buitencategorie blijft.

Daaruit voortvloeiend heeft Boer de ervaring dat theatermakers bijna structureel de neiging hebben om de leeftijd – in ieder geval voor zijn theater in Hengelo – te laag in te schatten. René Geerlings van BonteHond merkt op: ‘Maar ik wil ook dat het publiek reikt, en niet iets recht voor de snufferd krijgt.’

Verder is de eensgezindheid voornamelijk groot onder sprekers en publiek. Luckas Moens, voormalig afdelingshoofd van een Vlaamse instelling voor kinderen met een mentale depressie of psychische stoornis, vertelt over het jaar dat theatermakers van Lucinda Ra daar met de kinderen een voorstelling maakten. En actrice Aischa Cissé vertelt hoe het is om als donkere actrice voor een bijna volledig wit publiek te spelen.

Zo is Het lef om anders te zijn een interessante verkenning van een belangrijk gesprek, dat de sector terecht bezighoudt.