De dingen die voorbijgaan · Toneelgroep Amsterdam, Toneelhuis, Ruhrtrienalle

Foto: Jan Versweyveld

Foto: Jan Versweyveld

Zwarte sneeuw, witte mist
Gezien: 16 september 2016,  Ruhrtriennale, Maschinenhalle Zweckel, Gladbeck (Duitsland)
★★★☆☆

Vorig jaar liet regisseur Ivo van Hove met De stille kracht bij Toneelgroep Amsterdam alle natuurelementen het podium over gieren, in de moesson-scenografie van vormgever Jan Versweyveld. De dingen die voorbijgaan, zijn tweede Louis Couperus-bewerking in een rij van drie, is soberder, meer in zichzelf gekeerd. De vijftien acteurs zijn allen in zwart gekleed; hun leven is een lang uitgerekte rouwstoet. ‘Het Ding’, waar zo krampachtig niet over gesproken wordt maar waar het altijd over gaat, stelt generatie op generatie niet in staat te beginnen met leven.

Het verhaal speelt zich af aan het begin van de twintigste eeuw. ‘Het Ding’, dat als een vloek over de personages heen hangt, betreft een voorval zestig jaar eerder, in Indië, waarbij Otillie Dercksz en haar vriend Emile Takma een crime passionel begaan, een moord die ondanks vermeend stilzwijgen altijd zwaar op hen en volgende generaties zal blijven drukken. Zestig jaar later, Otillie is inmiddels grootmoeder (een prachtige rol van Frieda Pittoors), zoekt Takma (Gijs Scholten van Aschat) haar nog dagelijks op.

Tegenover dit tweetal zet bewerker Koen Tachelet het jonge stel Lot (Aus Greidanus jr.) en Elly (Abke Haring) centraal. Hun huwelijksreis naar Italië is een wanhopig poging zich te verlossen van hun gestagneerde familie. Maar geconfronteerd met de passionele Italiaanse vrijheid dooft hun liefde al voordat ‘ie daadwerkelijk op kon laaien – hun naakte lichamen nog vol slagroom en aardbeien van hun poging tot affectie.

Alle familieleden, al dan niet op de hoogte van het drama, dragen de sporen met zich mee. De dingen die voorbijgaan toont rustig en zorgvuldig hoe het trauma zich in ieder personage anders manifesteert: er wordt zonder uitzondering uitstekend geacteerd, met de koppels Greidanus jr.-Haring en Pittoors-Scholten van Aschat als emotionele middelpunten: de eerste in hun tevergeefse poging hun lot te ontvluchten, de tweede in hun tevergeefse poging in hun lot te berusten.

Versweyveld creëerde een uitgerekte wachtkamer, met aan weerszijden van de speelvloer twee lange rijen stoelen. In die ruimte wachten de personages allemaal op de dingen die voorbijgaan. De spiegelende achterwand confronteert hen voortdurend met zichzelf en elkaar. Harry de Wit staat op de achtergrond met een indrukwekkend instrumentarium aan metronomen, pendules en een klokkenspel.

In dat onontkoombare toneelbeeld creëerde Van Hove melancholieke mise-en-scenes: de voorstelling lijkt een aaneenschakeling van treurige groepsfoto’s van een op elkaar gedrukte maar van elkaar verscheurde familie. De dingen die voorbijgaan is een noodlotsdrama met evenveel ontwikkeling als zo’n foto: maar voorbij die statische beelden zitten hele werelden verstopt. Het is bewonderenswaardig dat een dergelijk weemoedige voorstelling zichzelf niet volledig verstikt in verdriet. Van Hove en zijn team gaan met eerbied met Couperus’ roman om. Dat levert weliswaar een gedegen, maar niet altijd de meest spannende voorstelling op. Steeds diezelfde cadans, steeds diezelfde zwaarte, het intense spel; soms schiet dat zijn doel voorbij. Die balans is zeer fragile.

Halverwege valt er een dikke laag zwarte sneeuw over hen heen; zwarte paraplu’s worden uitgeklapt. Maar de sneeuw kan het verleden niet bedekken, net zomin als de witte mist die uiteindelijk over die sneeuw neerdaalt, de pijn verhult.