Wilfried de Jong & Bruut!

Foto: Martin Oudshoorn

Foto: Martin Oudshoorn

Jammen met taal en jazz
Gezien: 4 oktober 2016, De Kleine Komedie (Amsterdam)
★★★☆☆

In zijn oranje pak rent hij heen en weer over het podium, gadegeslagen door de vier mannen van het jazzkwartet Bruut! achter hem. Ritmisch slaat hij met een hamer op een houten krat. Of hij poetst zijn tanden, verwoed verwikkelt in een ritmische jazz-contest met de drummer. Dan weer verstild: in een integere monoloog over het overlijden van zijn vader. Of over de jongen die steeds met dieren wilde zoenen, totdat er ineens een levende aal zijn slokdarm in schiet.

De Amsterdamse jazzband Bruut! bestaat uit Maarten Hogenhuis (sax), Folkert Oosterbeek (Hammondorgel), Thomas Rolff (contrabas) en Felix Schlarmann (drums). Ze omschrijven hun stijl als superjazz, een combinatie van jazz, rock en boogaloo. Samen met Wilfried de Jong brengen ze een uiteenlopende collage aan verhalen, verteld in taal en muziek. Geïnspireerd op de ‘rafelranden van de stad’, volgens de publiciteitstekst. Deels is dat zo: bij monde van De Jong vertellen markante personages hun verhaal. Een armoedige nachtwaker uit de buitenwijken van Parijs die zijn lichaam verkoopt, een dikke man die bij een buitenissige Aziatische kleermaker een nieuw pak koopt, de jongen die een meisje oppikt bij een discotheek en vervolgens, met haar naast zich, zijn auto een sloot in rijdt en bijna verdrinkt.

De Jong schrijft met veel gevoel voor detail, hij vertelt rustig en zuiver, zonder veel opsmuk. De verhalen worden afgewisseld met muzikale intermezzo’s, fysieke scènes en voordrachten uit twee van zijn bundels. Tijdens het vertellen gaat De Jong, meer nog dan met zijn publiek – de dialoog aan met de muzikanten om hem heen. Hij daagt ze uit, verleidt ze, lacht ze uit.

De boog is niet overal even strak gespannen. De twee verhalen die hij uit zijn bundels voordraagt – hoe mooi verteld ook – passen minder in de overkoepelende thematiek van de romantische maar gevaarlijke nachten in de stad. Ook de scène waarin de saxofonist letterlijk door De Jong de zeepkist wordt op gestuurd voelt wat te geforceerd aan. Dan lijkt het ineens wat teveel een onderonsje op het podium te zijn. Dergelijke onbeduidende momenten maken de avond wat uitwaaierend. Een strengere thematische selectie zou de voorstelling ongetwijfeld sterker maken. Nu blijft het toch teveel een aaneenschakeling van losse nummers, korte spanningsbogen, en daardoor eerder eentoniger dan diverser.

Thematisch is de structuur dan wellicht wat rammelend, maar wat de hele voorstelling verbindt is de rol van de het kwartet, de wisselwerking tussen taal en muziek, tussen De Jong en band. Niet alleen muzikaal blinken ze uit, maar ook in spelplezier in reactie op elkaar en De Jong. Zeker als ze, bijvoorbeeld in het ijzersterke slotnummer, allebei op improvisatie stoelen – als behalve de muzikanten ook De Jong met zijn teksten aan het jammen slaat, en de taal en het verhaal echt uit de muziek voortkomt. Het is meteen het feestelijkste en meest oorspronkelijke moment van de avond.