The Lion King – Stage Entertainment

Foto: Deen van Meer

Foto: Deen van Meer

Overrompelende muziek en scenografie
Gezien: 30 oktober 2016, AFAS Circustheater (Den Haag)
★★★☆☆

Terwijl de mandril Rafiki in het Zoeloe de komst van de leeuw aankondigt, klimt de dieprode zon de hemel in. Vanuit alle kanten in het AFAS Circustheater in Scheveningen komen de dieren naar de Hoge Rots, die fier op het podium prijkt. Vogels vliegen door de lucht, giraffen waggelen door de zaal, een olifant wurmt zich door het gangpad. The Lion King opent met een overrompelend staaltje muzikaliteit en scenografie.

Voor de tweede keer is de musicalbewerking van de succesvolle animatiefilm uit 1994 nu in Scheveningen te zien; de eerste keer was in 2004. Het verhaal gaat over de leeuw Mufasa, koning van de savanne, die door zijn jaloerse broer Scar vermoord wordt. Scar schuift de schuld af op zijn neefje Simba, Mufasa’s zoon en kroonprins, die daarop het land van de Hoge Rots verlaat en het tropisch regenwoud in vlucht. ‘Hakuna matata’ leert hij daar, een term uit het Swahili dat zoveel betekent als: maak je geen zorgen. Maar na jarenlange ontkenning durft hij zijn verleden onder ogen te komen en keert hij terug naar zijn geboorteland om de troon op te eisen.

Het openingsnummer is ijzersterk. Door de dieren van alle kanten op te laten komen, wordt het publiek helemaal onderdeel van dit sfeervolle ritueel. Het gebeurt later nog een aantal keer dat de dieren ons letterlijk over de hoofden vliegen, vanuit de balkons of vanuit het achterin opkomen: een sterke theatrale vertaling van de weidsheid van de savanne.

Voor alle dierenkarakters uit het verhaal – behalve Rafiki – maakte Julie Taymor (regisseur van de oorspronkelijke Broadway-versie uit 1997) gebruik van poppen of maskers, waarbij de acteurs die ze bedienen duidelijk zichtbaar zijn. Naidjim Severina en David Goncalves dragen als respectievelijk (volwassen) Simba en Mufasa grote leeuwenkoppen als kronen op hun hoofd; het zijn of worden tenslotte koningen. Hofmeester en roodsnaveltok Zazu zit op een lange stok (die wordt gedragen door Barry Beijer), Jorrit Ruijs heeft als Scar zijn excentrieke leeuwenkop aan een knokige constructie boven of voor zijn gezicht hangen. Door deze transparante inzet hebben de acteurs alle vrijheid om hun eigen mimiek en fysiek in te zetten. Bovendien versterkt het gebruik van maskers het Afrikaanse gevoel. Enige vreemde eend in de bijt is Timon; die als enige niet schetsmatig wordt weergegeven, maar natuurgetrouw (weliswaar uitvergroot), en daardoor karikaturaler is dan de rest. Hij wordt overigens wel kundig bespeeld door de Vlaamse Steve Beirnaert.

Meer nog dan de film, ademt de musical de Afrikaanse sfeer. Dat komt in de eerste plaats door de Afrikaanse elementen in de muziek, die live een veel sterker effect hebben. Dat geldt ook voor de choreografieën, vol rituele elementen uit Afrikaanse dansen. In combinatie met de uitbundige scenografie overstijgt de musical op sommige momenten echt de film. Waarbij een kleine kanttekening: op de première waren sommige (lied)teksten echt onverstaanbaar.

Qua spelniveau valt er nog wel wat te winnen. De vlakke adaptatie van Goncalves als Mufasa slaat de bodem onder het stuk vandaan. Meer dan koning van de dieren, is Mufasa een zorgzame vader, die zijn zoon streng maar liefdevol opvoedt. Daarvan was op de première niets te zien. Goncalves’ Mufasa was statig en afstandelijk. Hij overtuigde niet als koning en niet als vader.

In de tweede helft komt de musical met een aantal muzikale ingrepen het meest los van de film, en bepaald niet ten goede. Bijvoorbeeld in het melodramatisch ingezette lied van Simba (waarschijnlijk alleen Severina als volwassen Simba een solo te geven) ‘Lang is de nacht’, waarin ten overvloede duidelijk wordt dat hij zingeving mist in zijn hakuna matata-bestaan. Waar er in de eerste helft op plot- en personageniveau een hoop ontwikkelingen zijn, gebeurt er in de tweede helft niet zo bar veel. Het enige moment dat dramatisch enigszins interessant is, is wanneer Simba tot inkeer komt en zijn verleden onder ogen durft te komen. Dat wordt in de musical behoorlijk uitgesmeerd. Er zit bovendien nog een raar, onuitgewerkt aanzetje in tussen Scar en Nala, dat eerder afleidt dan dat het diepgang geeft.

De musical verraste een aantal keer met theatrale visuele vondsten. Zo werd bijvoorbeeld met relatief weinig middelen de dreigende stormloop van op hol geslagen gnoes prachtig invoelbaar. Taylor weet af en toe op haast filmische wijze in en uit te zoomen, ze speelt met lijnen en perspectief, en dat allemaal met inventieve theatrale middelen. De ontknopingsscène was daarentegen ronduit tegenvallend. Juist in deze scène, die draait om subtiele insinuaties en klein spel, zoomt Taymor uit, in een totaalbeeld zonder enige fantasie. En als een verplicht nummertje voltrekken de laatste onthullingen en de dood van Scar.

Ster van deze musical is, ondanks prima spel van Severina (Simba) en Ruijs (Scar), Gugwana Dlamini, die als Rafiki– mandril, sjamaan en verteller – een prominente rol heeft, en ons met haar prachtige zang meteen de savanne in smijt.