Pim & Theo (15+) – NIE Theatre


Een laatste gesprek tussen Pim Fortuyn en Theo van Gogh
Gezien: 17 maart 2017, Jeugdtheater De Krakeling (Amsterdam)
★★★★☆

Een joviale Theo van Gogh zit onderuitgezakt op zijn regisseursstoel; tussen zijn kenmerkende bretels steekt het bebloede mes, waarmee zijn moordenaar de doodsbedreiging aan Ayaan Hirschi Ali op zijn lichaam vastpinde, uit zijn borstkas. Tegenover hem Pim Fortuyn, formeler, keurig in pak, met een roodgekleurd verband op zijn kale hoofd. Twee mensen, een extreemrechtse politicus en een links georiënteerde kunstenaar, verbonden door hetzelfde lot, ontmoeten elkaar in het hiernamaals.

Jeugdtheater De Krakeling haalt dit weekend een bijzondere productie naar Nederland. De voorstelling ging drie jaar geleden in première in Denemarken, en speelde eerder al in Engeland, België, Scandinavië en Oostenrijk. In Pim & Theo van het internationale gezelschap NIE Theatre (New International Encounter) vinden Theo van Gogh (Henrik Ipsen) en Pim Fortuyn (Vagn Jensen) zichzelf terug in een hiernamaals, een vacuüm met aan de ene kant de tuin van Fortuyns voormalige villa in Rotterdam, en aan de andere kant de rommelige woning van Van Gogh in Amsterdam. Daartussenin de publieke ruimte: waar Fortuyn en Van Gogh zichzelf zo uitdrukkelijk profileerden. Het publiek staat daar in een grote kring omheen, en is prominent onderdeel van deze theatrale werkelijkheid.

De voorstelling vangt aan met een verwarde Fortuyn, die zich hardop afvraagt waar hij zich bevindt. In tegenstelling tot Van Gogh kan hij zich niets van zijn dood herinneren. Op witte doeken worden de bij ons bekende beelden van de neergeschoten politicus in het Mediapark in Hilversum geprojecteerd, een ijzingwekkende gelijkenis met de figuur die er midden op de speelvloer verward naar staat te kijken.

Langzaam herinnert Fortuyn zich meer van zijn leven, en herkent hij zijn gesprekspartner als branie schoppende filmmaker, in wiens televisieprogramma hij voor het eerst live op televisie verscheen. Het televisieprogramma wordt nagespeeld, er volgt een spelshow, waarin Van Gogh zichzelf, voorzien van bomgordel, aan Fortuyn vastketent. Het is een woordbom, legt Van Gogh uit, en kan afgaan als Fortuyn een individu of groepering beledigt.

Het legt de vinger op de zere plek. Fortuyn: ‘Dus dat is het spel van vanavond. Woorden kunnen een bom activeren, vrijheid van meningsuiting bestaat niet meer, woorden zijn bommen geworden.’ Maar het weerhoudt hem nergens van, het moedigt hem hooguit uit zijn ideeën nog scherper te verkondigen: ‘We kunnen geen censuur accepteren, we kunnen niet vrij zijn met een pistool tegen ons hoofd. In dit land kan ik zeggen wat ik wil, in dit land kan ik zijn wat ik wil. Ik kan de eerste homoseksuele premier worden die de wereld ooit heeft gezien. Ik zal niet accepteren dat mensen die hier niet thuishoren ons geld afpakken en onze cultuur verachten. Ik zal niet toestaan dat een achterlijke religie alles bederft waar wij in ons land generaties voor gevochten hebben.’

Dat de productie niet van Nederlandse bodem is, blijkt uit het hoge gehalte expositie dat – vooral in het eerste deel – in de voorstelling verwerkt zit; de feitelijkheden die voorbijkomen rondom de moorden op Fortuyn en Van Gogh zijn bij ons genoegzaam bekend en nemen een wat groot gedeelte van de dialoog in beslag. Overigens wel slim verpakt in de aan geheugenverlies lijdende Fortuyn (‘een deel van zijn hersenen is uit zijn hoofd geschoten’, brult Van Gogh dan ook meermaals richting publiek, zichtbaar enthousiast over zijn eigen grap).

Samen verkennen ze de grenzen van de vrijheid van meningsuiting en het liberalisme, en betrekken hun publiek daar in hoge mate bij. Die aanwezigheid van de toeschouwers benadrukt mooi in hoeverre deze twee figuren afhankelijk waren van hun publiek. Na de uitbundigheid van de introductie en de spelshow, wordt het bovendien echt grimmig als de realisatie indaalt wat hun veroorloofde vrijheid van spreken hen teweeg heeft gebracht.

Ze worden knap vertolkt door Ipsen en Jensen, die zich behalve hun uiterlijke gelijkenissen ook hun manieren van spreken, bewegen en doen treffend eigen hebben gemaakt. Beiden worden haast aandoenlijke personages: de ene in zijn onvermoeibaar energieke pogingen steeds te ontregelen, de ander in zijn verwarring, en zijn ijdele teleurstelling als hij zich realiseert dat hij het niet tot minister-president heeft geschopt. ‘Ik was bestemd voor grootse daden.’

Regisseur Alex Byrne giet zijn thematieken niet in een metafoor, maar laat ze door zijn personages expliciet behandelen. Mede door de intimiteit met de toeschouwers wordt het publiek uitgedaagd samen met deze twee personages te ontleden waar de grenzen van vrijheid liggen en hoe het zo ver heeft kunnen komen dat deze twee personen dat met hun leven hebben moeten bekopen.

Fortuyn: ‘Ik zou de boel echt opgeschud hebben, als ik, als ik…’
Van Gogh: ‘Vertel! Wat zou je anders gedaan hebben? Wat zou je teruggenomen hebben?’

Maar verder komt ‘ie niet.