Een meeuw – Toneelgroep Oostpool

Foto: Sanne Peper

Zien en, vooral, gezien worden
Gezien: 23 maart 2017, Theater de Veste (Delft)
★★★☆☆

Al bij aanvang staan de acht acteurs keurig in een rij op het voortoneel en buigen. Duidelijk: deze personages in Een meeuw houden van een publiek, ze willen gezien worden.

Deze uitdrukkelijk theatrale benadering onderstreept de behoefte van deze groep mensen om zich expliciet te etaleren. Neem het prachtige samenspel tussen Vincent van der Valk en Sigrid ten Napel in het eerste bedrijf. Hij als gekwelde schrijver Kostja en zij als de jonge Nina, hunkerend naar een carrière als actrice. Ze hebben een hypertheatrale manier van communiceren, een aandoenlijk ritueel van twee dromers.

Hij dartelt met zijn springerige lijf geagiteerd om haar heen, maar zij is afgeleid zodra schrijver Trigorin (Martijn Nieuwerf) het landgoed betreedt. Die is misschien minder aantrekkelijk, maar op z’n minst een gearriveerd en breed geaccepteerd kunstenaar. Interessanter dus dan Kostja die haar adoreert en als een marionet om haar heen springt.

In de gevarieerde cast – ook met Abe Dijkman, Peter Bolhuis, Anna Raadsveld en een droogkomische Daniel Cornelissen als bejaarde branieschopper – valt Ariane Schluter op met de rol van Arkadina, Kostja’s moeder. Zij exposeert haar egocentrisme nog het meest, schaamteloos manipuleert ze haar omgeving en blijft niettemin, in haar bloedrode jurk, altijd een elegante vrouw. Maar achter haar verbeten voornemen de touwtjes in handen te houden, zie je dat het leven en met name de mannen – haar geliefde, haar zoon – haar zonder uitzondering de rug toekeren. Haar gezicht verraadt een diepe treurnis, die ze standvastig probeert te maskeren.

Foto: Sanne Peper

De vormgeving van Theun Mosk geeft met zijn effen, kauwgombalgekleurde vlakken iets cartoonesk aan het toneelbeeld. Dat komt ook terug in de uitbundige kostumering, de pruiken en zelfs in het geluidsontwerp: als de personages het bijvoorbeeld over het onweer hebben wordt er spontaan een sample van een onweersbui ingestart.

Door de vormgeving en speelstijl gaat deze tekst van Tsjechov voor regisseur Marcus Azzini om zien en – vooral – gezien worden. Bij de jonge generatie gaat dat gepaard met een fladderige naïviteit, bij de oudere generatie met een haast gemakzuchtige passiviteit. Maar de behoefte manifesteert zich onverminderd.

Dat het gekunstelde spel geen twee uur blijft boeien, probeert Azzini te ondervangen met momenten van ingetogen, meer realistisch spel. Maar die keuze is lang niet altijd sterk doorgevoerd. Dat zorgt ervoor dat de voorstelling op momenten rammelt. Door die uitwaaierende speelstijlen wordt de aandacht bovendien van de psychologie en de thematieken afgeleid, en komt de focus ten overvoede te liggen op de vorm. Daarmee gaat er een hoop van deze rijke Tsjechov verloren.

In het laatste bedrijf zit die contrasterende speelstijl overigens wel sterk in de thematiek ingebed. Het prachtig sobere spel van Ten Napel vormt een hartverscheurend contrast met de jonge ambitieuze versie van haarzelf. Nina is na een leven vol middelmatigheid en tegenslagen teruggekeerd naar het landgoed, naar haar jeugdliefde Kostja. Haar kapsel, dat steeds zo keurig in theatrale plooi viel, is nu piekerig en afgeleefd.

In hun sobere realisme zoeken ze tevergeefs hun jeugdige theatraliteit op, maar dat onderstreept alleen maar de tragische teloorgang van hun jeugd en de mislukkingen in hun leven.