Achter het huis · Hummelinck Stuurman Theaterbureau

Foto: Ben van Duin

Het morele verval wordt in deze vrije bewerking wel erg uitdrukkelijk
Gezien: 11 november 2017, Stadsschouwburg Haarlem
★★☆☆☆

Een klein hobbeltje voorafgaand aan de première: Het Anne Frank Fonds te Bazel, dat de dagboeken van Anne Frank beheert, probeerde met een kort geding deze productie te voorkomen. Ilja Leonard Pfeijffer, die de dagboeken als uitgangspunt voor zijn toneeltekst nam, zou zich te veel vrijheden permitteren. Het fonds hekelt het eigentijdse taalgebruik, de vermeende humor en de fictieve verhaallijnen. Hummelinck Stuurman Theaterbureau deed een beroep op het verjaren van het auteursrecht, en de première vond zaterdag onverhinderd doorgang.

In korte scènes schetst Achter het huis hoe opsluiting en chronische angst ervoor zorgen dat elke vorm van beschaafdheid het uiteindelijk aflegt. Het dagboek blijkt inderdaad aan een behoorlijke herschrijving te zijn onderworpen.

Die is lang niet altijd geslaagd. Pfeijffer legde zijn personages vrijwel uitsluitend bloemrijke, literaire zinnen in de mond. Mooi geconstrueerd misschien, maar ook problematisch: door de personages schemert voortdurend de schrijver zelf, die vrij protserig de ene na de andere onnodig complexe, gevatte zinsconstructie formuleert. Daarbij onderscheiden de personages zich door de eenvormigheid van hun idioom nauwelijks van elkaar.

In een vermoeiend schemerdecor koos regisseur Johan Doesburg bovendien voor een expliciete, frontale speelstijl, waardoor alle emoties (meestal geagiteerd of kwaad) extra benadrukt worden. Dat maakt het spel onnodig vlak.

Halverwege ontspoort het volledig. Een bizarre wending neemt onverwachts de overhand als Fritz Pfeffer (Cees Geel) zich seksueel vergrijpt aan de jonge Margot (Amarenske Haitsma). Om onbegrijpelijke redenen kan zij vervolgens op geen enkele steun rekenen, en met name Otto Frank (Hajo Bruins) ontpopt zich in de tweede helft ineens tot een onverbiddelijk, gevoelloos personage. De parallel met de #MeToo-getuigenissen is evident, alleen is volstrekt onduidelijk hoe en waarom zich dat ineens tot dit verhaal verhoudt.

Pfeijffer mag zich alle vrijheden permitteren om zijn eigen duiding te geven, maar ik betwijfel zeer of hij dit nu werkelijk nog nodig had om het sociale en morele verval van deze personages af te tekenen.