Theater Vele hemels boven de zevende
Door Bos Theaterproducties
Gezien 22/2, DeLaMar (Amsterdam)
Te zien 27 mei (tournee)


“Ik heb ooit van je gehouden, papa,” zegt Eva tegen haar vader, tegen het einde van de voorstelling. Haar zin is, pijnlijk veelzeggend, in de verleden tijd. Want het is niet dat ze niet van elkaar proberen te houden, maar ze weten simpelweg niet hoe het moet. Doordrongen van eigenbelang en geteisterd door schuldgevoel verliezen ze hen bij wie ze nochtans op hun lip zitten toch genadeloos uit het oog.

Griet Op de Beeck schreef in 2013 een rauw en emotioneel portret van een uiteengevallen familie. Het verhaal speelt zich af tussen twee rampen. De een heeft zich al voltrokken en legt gaandeweg diepe sporen aan de dag. Het is een ongeluk dat vragen over schuld, boete en verantwoordelijkheid oproept. De tweede ramp – de plotwending waar het verhaal, zonder dat je dat lange tijd expliciet doorhebt, naartoe werkt – stelt die vragen niet meer, maar smijt die in je gezicht. Waar houdt de individualistische gedachte van ieder-voor-zich op en mag je verwachten dat de mensen om je heen je opvangen? Mag dat überhaupt?

Zo ploetert deze familie zich door het leven en het daaruit voortvloeiend schuldgevoel. Een alcoholistische vader en een draak van een moeder hebben twee dochters: Elsie, op papier gelukkig, want: getrouwd, gezin, carrière (en daadwerkelijk natuurlijk zo ongelukkig als wat) en Eva, op papier ongelukkig, want: alleenstaand, kinderloos, geen perspectieven (daadwerkelijk ook ongelukkig, om die en vele andere redenen). Eva, het centrale personage wordt prachtig gespeeld door Hanne Arendzen, levensecht, subtiel en wars van ijdelheid, zonder daarbij karikaturaal te worden. Met uitgestreken hoofd slikt ze belediging na afwijzing, blijft ze stug en steevast doorzoeken naar iets om zich aan vast te klampen – voor zo lang als dat gaat.

In de bewerking van Léon van der Sanden worden de perspectieven van de verschillende personages voortdurend met elkaar versneden. De personages hebben op het toneel allemaal hun eigen plekje gekregen van waaruit zij hun leed mogen vormgeven. Het biedt regisseur Ursul de Geer weliswaar de mogelijkheid om snel tussen scènes te schakelen, maar daardoor blijft de voorstelling lange tijd wel erg op afstand. In korte, gehaaste scènetjes – overvloedig frontaal op het publiek gespeeld – voltrekt zich het gros van het verhaal als een uitgerekte aanloopscène. Alsof je naar een terugblik van eerdere afleveringen van een serie zit te kijken, maar dan vijf kwartier lang.

Vele hemels boven de zevende is een polyfonie van eenzaamheid, eenzaamheid die wordt versterkt door elkaars aanwezigheid. Maar de theaterbewerking blijft veel te lang hangen in haastig gemonteerd eilandjestoneel. De afzondering die hiermee geïllustreerd wordt is te illustratief, te technisch om betekenis te krijgen.

Uiteindelijk komt het isolement pas echt binnen als de personages hun afzondering doorbreken en met elkaar aan tafel belanden: tegen het einde van de voorstelling, op de verjaardag van de moeder, wordt er eindelijk een scène ‘ouderwets uitgespeeld’, zonder tussentijds erdoorheen te snijden of personages die in terzijdes hun onderliggende emoties expliciet maken.

In dat samenspel wordt er op de valreep de kiem gelegd voor onversneden verdriet.