Revolutie kent vele gedaantes

Foto: Sanne Peper

Theater De rechtvaardigen
Door Toneelschuur Producties, Eline Arbo
Gezien 18 mei, Toneelschuur (Haarlem)
Te zien 3-6/10, Toneelschuur; 18-20/10, Bellevue


Eerder dit seizoen overrompelde regisseur Eline Arbo met een tintelfrisse adaptatie van Het lijden van de jonge Werther – haar eerste voorstelling bij Toneelschuur Producties was een begeesterde productie waarin Arbo de romantische overtuigingen van haar personages zonder enige ironie omarmde. De jonge regisseur (ze studeerde twee jaar geleden af aan de regieopleiding in Amsterdam) zette zichzelf op de kaart als de regiebelofte van dit moment.

Hooggespannen verwachtingen dus bij haar nieuwe productie. De rechtvaardigen (1949) van Albert Camus speelt zich af op de vooravond van de Russische Revolutie. Vijf uiteenlopende revolutionairen trachten een aanslag op de groothertog te plegen. Vanuit hun geheime hoofdkwartier in Moskou zien we hoe een groep die zich als rechtvaardigen verenigt, behalve hun afkeer voor het regime maar weinig heeft dat hen bindt. Geloven in een betere wereld doen ze alle vijf, maar hoe die wereld eruitziet en vooral, hoe de weg daar naartoe af te leggen, blijkt iedereen anders uit te leggen. De standvastige, de empathische, de gelukzoeker, de wereldverbeteraar en het kuddedier – in ieder woedt een eigen variant van rechtvaardigheid. Revolutie kent vele gedaantes.

De rechtvaardigen is een praatstuk – de personages vertegenwoordigen uiteenlopende ideologieën die naar aanleiding van gesprekken en discussies op de vloer inzichtelijk worden gemaakt. Op dat statische karakter van Camus’ toneeltekst plakt Arbo een haast cartooneske theatraliteit, die de absurditeit van het vele praten en gebrek aan actie danig aan de dag legt. Zo maakt ze van Camus’ ideeënstuk een wrange, bij vlagen over de top hilarische komedie – waarin ze ons bovendien overvalt met spaarzame momenten van ernst en schoonheid, opdat we alsnog niet vergeten dat deze mensen het beste met de wereld voorhebben en dat dat voor hen wel degelijk een serieuze zaak is.

De zes revolutionairen in dit stuk – Arbo voegde een stilzwijgende muzikant in de hoek toe (de kunstenaar als onverstoorbare revolutionair?) – benadert ze niet als gelaagde personages, maar als pionnen die een discussie voeren. Zo lopen de acteurs soms mechanisch vast in vormelijke loopjes, wordt elke zucht van verlichting of moment van schrik overdreven geplaatst. De bommen zijn een pakket dynamiet met een wekker erop gemonteerd, die komen zo uit een stripverhaal.

Arbo voert die afstandelijke ironie zo standvastig door, dat zowel personages als publiek op enig moment murw geslagen zijn van al het gepraat, gefilosofeer en gediscussieer. Maar dan komt Arbo zelf in opstand, en wel tegen het stuk van Camus. Niet alleen wordt de vierde wand doorbroken, het hele toneelbeeld wordt met de grond gelijk gemaakt.

In de ronkende puinhopen van Camus’ toneeltekst, is er ruimte om op diezelfde tekst te reflecteren. Even gloort er hoop: als personages uit hun keurslijf kunnen breken, als blijkt dat de werkelijkheid helemaal niet per definitie in steen gebeiteld is, dan lijkt ineens alles mogelijk. Wat een verfrissend gevoel na al dat vastgeroest gepraat.

IJdele hoop blijkt, want ook in deze revolutie verzanden de personages in hun oude patronen. Zo zitten we anno 2018 nog steeds in ons geheime hoofdkwartier onze ideeën en twijfels tegen elkaar af te wegen. Is in actie komen werkelijk zo moeilijk? Met haar tweede voorstelling levert Arbo genoeg stof tot – jawel – napraten.