Er is de laatste jaren een interessante tendens gaande in de theaterwereld. De theatermaker presenteert zijn werk steeds vaker buiten het theater. Zo ook op SPRING Festival in Utrecht.

Het festival profileert zich niet alleen als genre-overschrijdend en -overstijgend, maar ook in meerdere mate out of the blackbox. En dan hebben we het niet over koddig straattheater, dan noemen we het liever ‘kunst in het publieke domein’.

Niet voor niets opende het festival vorige week met een massachoreografie met maar liefst honderd performers, niet ín, maar vóór de Utrechtse stadsschouwburg. Ook Dries Verhoeven, vaste gast van het festival (en altijd garant voor de nodige controverse) eist de openbare ruimte op. Op stadsplein De Neude moesten de grote terrassen dit zonnige weekend wijken, dat alleen al was genoeg aanleiding voor de nodige opschudding.

Wat deze voorstellingen buiten het theater bijna altijd gemeen hebben, is dat het publiek niet alleen toeschouwer is, maar vaak op slimme manier bij de performance betrokken raakt. We worden medeplichtig gemaakt. In de herneming van de voorstelling Wiek van Boukje Schweigman (vanaf donderdag te zien op het festival) bijvoorbeeld, waarin drie danseressen vast raken te zitten in een ruimte waar voortdurend horizontale wieken voorbij draaien. Het publiek zit er omheen en sluit de performers als het ware in. Als cipiers in de ultieme uitputtingsslag.

Every-one van Willi Dorner, foto: Lisa Rastl

De Oostenrijkse choreograaf Willi Dorner neemt het publiek mee op een stadswandeling door de multiculturele wijk Kanaleneiland. We volgen een groep revuedansers die zo uit de jaren twintig van de vorige eeuw lijkt te komen. In strak gechoreografeerde uniformiteit (en allemaal in hetzelfde nette uniformpje) begeven ze zich door de wijk, houden hier en daar halt voor een keurige dansroutine.

De combinatie van militaire discipline waarmee ze door de wijk marcheren, en de onbezorgde revue-associaties, gaat een mooie dialoog aan met de wijk. Omstanders komen nieuwsgierig kijken, anderen vinden het zichtbaar belachelijk, er komt zelfs een man van zijn balkon naar beneden om zijn onvrede over de performers luid kenbaar te maken. Die reuring geeft de voorstelling precies de spanning die het nodig heeft. De onverstoorbare revuedansers van weleer handelen keurig hun choreografie af, de hedendaagse wijkbewoners laten zich ondertussen net zo min hun routines afpakken.

Dorner laat de variété-wereld van een eeuw geleden in dialoog gaan met de sociale woningbouw. Hij vindt dezelfde regelmaat en uniformiteit in de dans als in de wijk, zowel wat betreft architectuur als haar bewoners.

En dan heb je nog een theatermaker als Naomi Velissariou, die haar voorstelling weliswaar in het theater presenteert, maar dat theater eerst helemaal afbreekt. In De Paardenkathedraal – thuishonk van Theater Utrecht, die haar voorstelling co-produceert – speelt ze Permanent Destruction – The SK Concert, samen met muzikant/producer Joost Maaskant.

De tribune is weggehaald, de zaal hangt vol rook en het ruikt – al bij de première – naar verschraald bier. Velissariou presenteert haar voorstelling als popconcert. Samen met Maaskant vormt ze de pop-up band Permanent Destruction, die teksten van toneelschrijver Sarah Kane op elektronische muziek zette.

Permanent Destruction – The SK Concert, foto: Sanne Peper

Kane leed aan ernstige psychiatrische problemen, had last van depressies en psychoses en pleegde uiteindelijk op 28-jarige leeftijd zelfmoord. Dat vond onontkoombaar weerklank in haar indringende, van (zelf)haat doordrenkte toneelteksten. Velissariou en Maaskant presenteren die teksten zonder anekdotische context, waardoor de destructiviteit eens te meer invoelbaar wordt. Het publiek swingt en juicht op zinnen als ‘I have become so depressed by the fact of my mortality, that I have decided to commit suicide’, ‘Death is my lover and he wants to move in’ en ‘What I sometimes mistake for ecstasy is simply the absence of grief’.

Uiteindelijk, na een hartenkreet om liefde die door merg en been gaat, verdwijnt Velissariou van het podium, lost ze op in de dood waar ze zo naar verlangt. De artiest is letterlijk opgebrand en dat wordt op indringende (en wonderschone!) wijze vormgegeven door videokunstenaar Frederik Heyman.

De setting van het live-concert is briljant. Er gelden andere codes dan bij een theatervoorstelling, er wordt geen anekdotiek of narratief verwacht, het publiek en de artiest willen samen opgaan in dezelfde emoties. De artiest wordt doorgaans bovendien verheerlijkt. Met z’n allen zingen we mee: ‘A living fucking hell’ en ‘Rape me till I come’. Zo spoort de zaal haar vol overgave aan als ze zingt over zelfhaat, isolement en dood. Over medeplichtig maken gesproken.


SPRING Festival, t/m 26 mei op verschillende locaties in Utrecht.
Permanent Destruction – The SK Concert is na SPRING te zien op Oerol, Over het IJ, Theater aan Zee en Lowlands