Vrijheid in choas, verbonden in eenzaamheid – Stef Aerts van FC Bergman over JR

Scènebeeld uit JR, foto: Kurt Van der Elst

“Het was eigenlijk Ivo van Hove die met dit boek kwam. We waren al een tijdje aan het broeden op een samenwerking, maar vonden maar niet het geschikte onderwerp,” vertelt Stef Aerts, kernlid en mede-oprichter van het Antwerpse theatercollectief FC Bergman. Hun nieuwe voorstelling JR is gebaseerd op de gelijknamige beurssatire en cultroman van William Gaddis en ging eind maart in première in een voormalige electriciteitscentrale in Schelle, nabij Antwerpen. Zonder inmenging van Ivo van Hove, overigens, die samenwerking is een jaartje uitgesteld. “Maar wij hadden inmiddels zoiets van: we hebben nu eindelijk iets gevonden en daar zijn we zo gek op. Dus toen heeft hij ons het idee cadeau gedaan. Heel lief van hem.”

Zeg je FC Bergman, dan zeg je automatisch megalomaan. Het collectief, dat sinds tien jaar naam maakt met groots locatietheater, bouwde voor eerdere voorstellingen een heel dorp op, plaatste een zwembad op de parterre en plantte een waar dennenbos op het podium. Ditmaal zit het publiek aan vier zijden rondom een veertien meter hoge toren. Vijftien acteurs, 21 figuranten, waarvan zeven kinderen, daaromheen bovendien twee cameramannen die alles continu live filmen. Tijdens het Holland Festival staat de voorstelling in de centrale markthal van het Food Center in West. Veel keus was er niet: de ruimte moet minimaal veertien meter hoog zijn, een diameter van veertig meter hebben, en dan ook graag zonder palen. Vind dat maar eens in de binnenstad.

JR gaat over een elfjarige schooljongen die na een schooluitstapje een aandeel in handen krijgt en zich gaandeweg opwerkt tot een van de grootste spelers op de financiële markt. Als stroman gebruikt hij Edward Bast, een jonge componist die zich tevergeefs uit de schaduw van zijn vader probeert te werken. Het boek geeft een meedogenloos beeld van de directe invloed die de financiële wereld heeft op de levens en de moraal van de gewone mens. Daarin vinden we aansluiting op de overkoepelende thematieken in het oeuvre van FC Bergman; in hun voorstellingen tonen ze de spartelende, immer trachtende mens. Met grootse gebaren tonen ze de menselijke maat.

Zo’n taalgedreven boekbewerking is weer eens wat anders voor de groep, die de afgelopen tien jaar uitsluitend vrijwel woordloze voorstellingen maakte. Aanvankelijk waren er dus wel wat reserves wat betreft het gebruik van zo veel tekst. Aerts: “En achteraf gezien hebben we ons daar ook heel vaak over beklaagd. Werken met tekst brengt hele andere wetten en regels met zich mee. Je kan niet zomaar dingen weggooien of heel vrij met je materiaal omspringen. Een kleine schrapping of toevoeging heeft gigantische repercussies. En alsof het niet moeilijk genoeg was kwam er ook nog die toren bij. Als je een bepaalde scène verandert, heeft dat ook nog gevolgen voor changementen, acteurs, technici, noem maar op. Het was een soort enorme JENGA-puzzel.”

Wat sprak jullie dan aan in het boek? ‘De dialogen zijn geschreven in hyperrealistische spreektaal, dus compleet met alle haperingen en gestotter. Dat maakt het heel charmant, maar ook heel vermoeiend om te lezen. Het is heel duidelijk dat Gaddis er plezier in schept om de lezer verloren te laten lopen in de chaotische wereld. Hij roept op tot actief lezerschap. Hij vindt dat een kunstwerk, een boek in dit geval, ook arbeid moet zijn voor een lezer. Ik vind dat een interessante positie om me als lezer in te bevinden. Het is vaak heel frustrerend, maar uiteindelijk ook lonend. Hij geeft je wel het gevoel dat je echt iets meemaakt.

Vinden jullie ook dat het publiek aan het werk moet? ‘Ik vind het wel interessant als een kunstwerk op een bepaalde manier open is. Dat het de mogelijkheid geeft tot interpretatie en dat je als toeschouwer je eigen focus kan leggen. Maar dat er altijd arbeid moet zijn, is wat mij betreft geen dogma. We zijn wel op zoek gegaan naar diezelfde rijkdom in chaos die wij bij het lezen ervoeren. Als lezer van het boek moet je soms keuzes maken, hoe krijgen we het geregeld dat het publiek dat bij de voorstelling ook moet doen?

Dat resulteerde in een gigantische toren met vier verdiepingen waarin van alles tegelijkertijd gebeurt. ‘Ik reed in die tijd vaak langs van die grote huizenblokken langs de snelweg. Ik vind dat een ontroerend beeld, al die verschillende levens die daar aan de gang zijn, die van elkaar denken dat ze niets met elkaar te maken hebben maar toch op elkaar gestapeld en met elkaar verbonden zijn. Dat heeft iets ongelofelijk eenzaams.
‘En daar zit de sleutel naar de voorstelling. Die toren is een metafoor voor de metropool, wat ook letterlijk een opeenstapeling is van mensen, levens, relaties, situaties. Een soort grote gonzende bijenkorf, waar iedereen enerzijds heel erg met elkaar aan het communiceren is, maar tegelijkertijd heel erg eenzaam blijkt te zijn.

Hoe staan jullie zelf tegenover de satire op het kapitalisme? ‘Het was niet iets wat ons van tevoren al heel erg bezighield of waar we specifiek naar op zoek waren. We zijn echt in de eerste plaats voor dat boek gevallen vanwege de personages en de dialogen. Veel meer dan een pamflet over de economische wereld of een sneer naar het kapitalisme, gaat het voor ons over mensen die zich staande proberen te houden in dat systeem. En dat systeem is niet iets waar je in terechtkomt, dat is gewoon de wereld van vandaag. De religie van vandaag is de religie van het geld.

De voorstelling heeft, ook productioneel gezien, nogal wat voeten in aarde. ‘Het is een hoop gepruts. Of zoals wij dat hier in Vlaanderen zeggen: getaffel. Er komen veel frustrerende dingen kijken bij het vinden van een geschikte locatie, vergunningen, goodwill van omwoners.
‘En er is bij ons ook altijd weer vertraging op het decor. Elk project nemen we ons voor: nu gaan we ervoor zorgen dat het op tijd klaar is, maar het is altijd zo’n grote klus dat er elke keer wel onvoorziene omstandigheden zijn.

Nemen jullie je na al dat getaffel nooit voor om het eens wat soberder aan te pakken? ‘Elke keer. We proberen het echt steeds simpel te houden, maar het lukt gewoon niet. Maar volgende keer gaan we het echt weer proberen. Beloofd.

Over een volgende keer gesproken, wordt dat die productie met Ivo van Hove? ‘In december gaan we eerst nog Les Pêcheurs de Perles doen bij Opera Vlaanderen, en daarna is ons eerstvolgende project met Ivo van Hove. We kennen elkaar al lang, en het verlangen om samen te werken bestaat al jaren. Hij is eigenlijk degene die het keer op keer blijft proberen, wat natuurlijk bijzonder is vanwege zijn indrukwekkende agenda. Dat is heel vleiend.
‘We voelen veel verwantschap met het theater dat hij en Jan Versweyveld [zijn vaste scenograaf] maken. We laten ons in ons werk niet vaak inspireren door andere makers, maar door hen zeker wel. Ondanks dat onze voorstellingen heel anders zijn, hanteren ze een theatertaal waar we zeker aansluiting bij vinden. Ik ben ook heel benieuwd naar hoe die samenwerking er concreet uit gaat zien. Want we doen onderling wel de hele tijd tegen elkaar van ‘we zien wel’, maar ik vraag me af of het zo simpel gaat lopen. Wij zijn tenslotte heel erg koppige mensen. En ik verwacht dat van hem niet minder.

JR, een productie van Toneelhuis / FC Bergman, in coproductie met NTGent, KVS en Olympique Dramatique. Van 16 tot 18 juni op het Holland Festival in Amsterdam