Karavaan: theater in leegstande panden, op straat en het platteland

Aardappelvreters, foto: Bowie Verschuuren

Dit weekend begon de vijfentwintigste editie van festival Karavaan in Alkmaar. Het is de aftrap van de zomerfestivals, dus dat betekent dat we voorlopig vooral wegblijven van de reguliere theaterzalen. Karavaan duikt op in leegstaande panden, op straat en op het omliggende platteland.

In een stoffig, verduisterd pand in het centrum van de stad, spelen Quintijn Relouw en Sjoukje Böing hun woordloze voorstelling Phobo Phobo. We zien een bejaard echtpaar dat zich rigoureus van de wereld heeft afgesloten. Uitgeblust en vastgeroest zitten ze opgesloten in hun donkere kamertje, tussen ingeblikt augurken en perziken – en zelf niet minder ingeblikt.

Door de duistere, associatieve en soms hallicunante beeldtaal lijkt het soms alsof je in een voorstelling van het Vlaamse theatercollectief Abattoir Fermé bent beland. Het mooist zijn de spaarzame momenten van tederheid – bijvoorbeeld wanneer de vrouw haar man uitkleedt om hem met een natte doek te wassen. Of de liefdevolle maar strenge klappen die zij hem soms geeft.

Door de veelheid aan losse aanzetjes voelt de voorstelling van deze jonge makers nog niet helemaal af. Het is prettig dat ze niet de neiging hebben alles in te lossen (wat doet bijvoorbeeld die baby op sterk water in een oude augurkenpot in de hoek?), maar door gebrek aan focus gaat de voorstelling uiteindelijk toch kabbelen.

Van hele andere orde is Een vrouw en een engel, een multimediale, documentaire én literaire theatervoorstelling in de Doopsgezinde kerk een paar straten verderop. Muziektheatermaker Anne Roos Rosa de Carvalho baseerde zich op het gedicht ‘Een man en een engel’ van Toon Tellegen. Flarden uit het gedicht worden versneden met prachtige vechtdans, live-muziek, soundscapes en documentair materiaal waarin diverse mensen op de thematieken uit het gedicht reageren. Kun je van iemand houden en met iemand vechten tegelijk? Kan iets tegelijk goed en oneerlijk zijn? Een vrouw en een engel is een sympathiek voorbeeld van theater als kerkdienst (het duikt de laatste jaren weer steeds vaker in die expliciete vorm op).

Echt kritisch wordt het helaas niet. De verschillende mensen die (op video) aan het woord komen blijven te veel hangen in algemene of overbekende overpeinzingen. Dat is op het theaterplein in de binnenstad wel anders. Daar staat het glazen hokje waarin de zeer kritische ‘mensententoonstelling’ Ceci n’est pas… van Dries Verhoeven te zien is. Dit weekend was daar bijvoorbeeld een man in een onderbroek die een jong meisje in bikini op schoot had en haar voorlas. Verhoeven cureerde tien collectieve ongemakken (elke dag een ander) en confronteert de nietsvermoedende voorbijganger daarmee. Wegkijken of schouderophalend doorlopen is hierbij geen optie.

Een paar kilometer richting het oosten, midden op het platteland, speelt de opera Aardappelvreters, een coproductie van Silbersee, Slagwerk Den Haag en Gouden Haas. In het libretto van Jibbe Willems staat een stugge boer centraal, die zich spartelend staande probeert te houden in de moderne tijd en zich verzet tegen onhaalbare quota, overheidsbemoeienis en de opkomst van kleinschalige, biologische stadslandsbouw.

Het verhaal speelt zich af rondom de dood van moeder (‘Mjodder’), die uitgleed in de gierput en stierf. Haar zoon Brot (Guus van der Steen), boer in hart en nieren, wil de verlieslatende boerderij koste was het kost redden. Haar dochter Sus (Björk Níelsdóttir) komt terug vanuit de stad. Haar vriend Max (Anne Stam) begeeft zich, met toenemende verbazing en afkeer, voor het eerst in zijn leven buiten de stedelijke ring. “Ik kan just and only in nieuwbouw leven. In huizen waar nog niet gestorven is.”

Meer dan het wat schematisch opgezette plot, is er muzikaal een hoop te beleven in deze experimentele locatievoorstelling. Het inventieve instrumentarium – koebellen, tonnen, melkbussen – en de zeer verrassende composities David Dramm (met een bijzondere vermelding voor de prachtige slotaria van Níelsdóttir) maken zowel de charme als de keerzijde van het harde boerenleven zeer invoelbaar.

De spagaat tussen stad en platteland komt ook mooi terug in de vorm van de taal. Willems bedacht voor de boerenfamilie een archaïsch boerentaaltje, terwijl de stadse Max met overvloedig veel Engelse woorden praat. Sus vindt naarmate ze zich langer op haar geboortegrond begeeft steeds meer van haar oude boerenidioom terug.

Gaandeweg wordt steeds duidelijker dat het grote boerenbedrijf geen plek meer heeft in onze moderne tijd. Uiteindelijk biedt alleen een dampende gierput uitkomst in tijden van nood. Dat is de kringloop van het (boeren)leven: stront zijt gij en tot stront zult gij wederkeren.


Karavaan, t/m 10/6. Aardappelvreters is na Karavaan ook te zien op Oerol (16-24/6).