Op Terschelling vond de afgelopen tien dagen de zevenendertigste editie van Oerol plaats.Verspreid over het eiland gingen in bossen, boerderijen, strand en duinen negentien voorstellingen in première.

In een hooggelegen duincomplex nabij de karakteristieke vuurtoren, speelt de voorstelling George en Eran worden racisten. Daarin vragen George Tobal en Eran Ben-Michaël (Syriër en Jood), samen met Milan Sekeris (witte Nederlandse man) en Myrthe Huber (vrouw) zichzelf de vraag: ben ik een racist? Al gauw verliezen ze zichzelf in goede bedoelingen, goedpraterij, seksisme en discriminatie in het algemeen.

Zo vindt Tobal dat hij recht heeft zichzelf ‘neger’ te noemen, de anderen vinden hem daar niet zwart genoeg voor (“je bent bruin!”). Tobal spreekt Ben-Michaël aan op wat hij ‘spinning Jew’ noemt (zelf iets fout doen en het dan vervolgens zo omdraaien dat je toch als slachtoffer uit de bus komt). De sullige Sekeris wil het vooral voor iedereen goed doen; hij voelt zich bovendien niet zo snel beledigt (“dus je hebt zelfs het privilege te kiezen wanneer je beledigd bent?”) en Huber is gewoon vrouw dus die mag meestal toch niet meepraten.

Het publiek wordt op slimme wijze medeplichtig gemaakt, wanneer Huber vervolgens onder het mom van openhartigheid openbaar vernederd wordt. De scène begint in vrolijke hilariteit maar wordt gaandeweg zeer pijnlijk – zowel voor makers als publiek.

Valavond van Het Houten Huis en De Noorderlingen is een beeldend mozaïek van de slapelozen. Diep verstopt in de bossen verbeelden ze een ritueel samenkomen van een tiental mensen die door slapeloosheid richting het randje van de waanzin wordt geduwd. Wanhopig proberen ze een van de schaarse slaapplekken te bemachtigen.

Ondanks dit potentieel spannende gegeven, dat zich goed leent voor de prachtige locatie, blijft de voorstelling onnodig vaag. De ronddolende personages blijven schetsmatig, krijgen geen geschiedenis en daardoor geen daadwerkelijk belang. De rigide doorgevoerde associatieve structuur zorgt uiteindelijk vooral voor vrijblijvendheid en nietszeggendheid.

Ook de voorstelling DisasterLicious van de YoungGangsters, die met hun minifestivalterrein ‘Gangsters Paradise’ nabij Midsland zijn neergestreken, valt tegen. De voorstelling begint veelbelovend: de suggestie wordt gewekt dat het publiek een re-enactment van een watersnoodramp aan den lijve gaat ondervinden. In plaats daarvan blijft de voorstelling hangen in een koddige gimmick, waarin door middel van de legende van Hansje Brinker vanuit Amerikaans perspectief de Nederlandse zelfredzaamheid op de hak wordt genomen.

Op een aantal slimme vondsten na (de dijkdoorbraak wordt met grote blauwgrijze vlaggen mooi theatraal gemaakt) nemen de YoungGangsters wel heel erg de tijd om hun gimmick uit te zetten, waardoor de voorstelling lange tijd oerflauw is en voortdurend in herhaling valt. Het moment waarop de acteurs uit hun rol stappen en de voorstelling zelf becommentariëren is dan ook behoorlijk voorspelbaar en niet echt origineel.

Ook het vecht- en stuntwerk, toch een trademark van het theatercollectief, is minder spectaculair dan we gewend zijn. De YoungGangsters is doorgaans een spannende en intelligente club, waar je meer diepgang van verwacht.

Het verhaal van Hansje Brinker komt ook terug in Stones in his Pockets, een voorstelling die Maren E. Bjørseth brengt bij Toneelschuur Producties. In de sterke bewerking die Janine Brogt van Marie Jones’ toneeltekst maakte, strijkt een Amerikaanse filmcrew tijdelijk neer op een Nederlands Waddeneiland, voor de opnames van Hansje Brinker Builds a Dike.

In deze wrange tragikomedie over gefnuikte dromen, spelen acteurs Daniel Cornelissen en Benjamin Moen met zijn tweeën zowel de figuranten als de filmcast en -crew. Zo schiet de voorstelling razendsnel – als een film – heen en weer tussen locaties en tijden.

Alle personages dromen van een ander leven, en worden met de komst van de filmcrew eventjes haarfijn geconfronteerd met het feit hoe onbereikbaar hun dromen eigenlijk zijn. Niet iedereen blijkt tegen die confronterende waarheid bestand.

Het is mooi om te zien hoe een commercieel succes het eiland volledig overneemt en afgeleefd weer achterlaat – de link met Oerol, waarin de eilanders tien dagen lagen worden overspoeld door theatermakers en festivalgangers, is daarbij evident.

Bjørseth balanceert in haar regie kundig tussen humor en tragiek, het einde is mooi hoopvol zonder moralistisch of melodramatisch te worden. Wilko Sterke verzorgt ondertussen live vanuit de filmcatering de prachtige soundscape. Stones in his Pockets is een integer, vlot verteld verhaal over de tragiek van de figurant, die verondersteld wordt zijn dromen en ambities opzij te schuiven en dienstbaar te zijn aan die van een ander. Maar dromen laten zich niet temmen. En met stugge eilanders valt niet te sollen. Oerolgangers, wees gewaarschuwd.


Oerol duurt nog t/m 24 juni.