Theater Ondine
Door Het Nationale Theater, Toneelgroep Oostpool
Gezien 23 juni, Het Nationale Theater (Den Haag)
Te zien t/m 7 juli, aldaar


“Van de wereld wil ik maar één ding weten,” zegt waternimf Ondine als ze ridder Hans ontmoet. “Laat men elkaar daar alleen?” Het antwoord op die vraag laat niet lang op zich wachten. Al snel leert ze dat de armen van de mensen er vooral zijn om elkaar los te laten, niet om elkaar vast te houden.

Na de vampierenvoorstelling Kinderen van Judas eerder dit seizoen, brengt regisseur Jeroen De Man nu een theatervoorstelling rondom andere mythische wezens: de bloedmooie, maar zielloze waternimfen. Hij baseerde zich voor Ondine op de gelijknamige toneeltekst uit 1939, van de Franse schrijver Jean Giraudoux.

Een jonge waternimf genaamd Ondine (een dweperige Evgenia Brendes) wordt op slag verliefd op een verloofde ridder (een sullige Joris Smit). Ze sluit een verdrag met de vervaarlijke Koning der Watergeesten (Mark Rietman): als Hans haar zal bedriegen dan moet hij sterven. Maar Hans is een mens, geen mythisch wezen, dus hij bedriegt. Ondine probeert haar koning nog te misleiden, maar de watergeesten hebben ogen in elke beek, vijver of waterput.

De voorstelling staat tot en met 7 juli in een voor de gelegenheid tot onderwaterwereld omgetoverde schouwburg in Den Haag. Het statige gebouw lijkt van de buitenkant op een groot scheepswrak en van binnen op een woelige oceaan.

Ook de theaterzaal is flink onder handen genomen. Het publiek en het podium zijn van elkaar gescheiden door een smalle kreek, van waaruit de verleidelijke nimfen hun plotse entrees maken. Scenografen Sarah Nixon en Juul Dekker ontwierpen fabelachtige kostuums (bizarre zeewezens en uitbundige hofkledij) en gebruikten (nieuwe en bestaande) beschilderde achterdoeken voor sprookjesachtig effecten.

In zijn regie schiet De Man heen en weer tussen twee stijlen: enerzijds zet hij in op de pure romantiek, vol sentimenten, hartstochtelijke volzinnen en meeslepend spel. Anderzijds lijkt de voorstelling een koddige Engelse panto, zoals Theater Rotterdam die jaarlijks rond de kerst brengt. Flauwe geintjes, knullige special effects, schmierend spel.

Dat vraagt om een precair evenwicht: in beide stijlen ligt het gevaar op de loer erin door te schieten. Te veel romantiek verstikt, en te veel flauwiteiten maakt nietszeggend. De samensmelting van die twee lijkt in eerste instantie een slimme keuze, en bovendien een statement over de belachelijkheid en de willekeurigheid van ware liefde. Het is jammer dat er zaterdag op de première meer sprake was van een afwisseling dan van een samensmelting, waardoor de afzonderlijke stijlen elkaar eerder ondermijnden dan versterkten.

In De Mans oeuvre als theatermaker (voordat hij vorig seizoen in dit regie-ontwikkelingstraject van Oostpool en Het Nationale Theater belandde zat hij bij De Warme Winkel) dringt de actuele noodzaak of vertaalslag zich doorgaans vaak op even originele als consistente wijze aan de toeschouwer op. Maar wat moeten we met Ondine? Als je voorbij de spectaculaire buitenkant kijkt, blijven er per saldo drie wat stroperige bedrijven over, die samen een folkloristisch liefdesdrama vertellen dat universeel en tijdloos is, maar dat is meteen de kritiek. Meestal weet De Man – die Giraudoux’ stuk grondig bewerkt heeft – het materiaal toch meer naar zich toe te trekken.