De strijd van twee generaties homoseksuelen

Foto: Arjen Veldt

Theater Poz Paradise
Door Stichting Poz Paradise, Daniël Cohen
Gezien 24/7, Stadsschouwburg Amsterdam
Te zien t/m 5/8, aldaar 


‘Poz Paradise’, zo hebben de drie homoseksuele vijftigers hun villa op Gran Canaria gedoopt. Poz als afkorting van positief, seropositief.

Ze kochten het huis in de jaren negentig, toen alle drie hiv-positief bleken, om met z’n drieën teruggetrokken hun einde tegemoet te treden. Het einde dat maar niet kwam. In 1996 kwam de combinatietherapie, inmiddels betekent een hivbesmetting allang geen doodsvonnis meer, en zo zitten deze long term survivors nog steeds met elkaar en het leven opgescheept. Drie mensen die eigenlijk al van hun toekomst afscheid hadden genomen, zoals ze destijds ook van hun vele vrienden afscheid moesten nemen. Dat tekent je.

Dus leven ze in hun zelfverklaarde paradijs al jaren volgens hun eigen drie geboden. Gij zult niet praten over het verleden, gij zult niet meer verliefd worden en gij zult geen verjaardagen meer vieren. Drie ijzeren wetten die aan het eind van de voorstelling, volgens andere wetten – namelijk die van een goed drama – uiteraard allemaal gebroken zijn.

Simultaan aan het verhaal van deze drie mannen, voert schrijver en regisseur Daniël Cohen drie jonge, homoseksuele eind-twintigers op, die in het naastgelegen homo-resort Club Torso logeren en worstelen met hele andere vragen. Hoe geef je je relatie vorm in tijden van PrEP en Grindr? In hoeverre is je seksuele geaardheid je identiteit?

Daartussen loopt de narrige relatiemanager Jacq (Harry Piekema), de quasi-ruimdenkende antagonist die zich in toenemende mate als homofoob profileert. Hij praat in termen van ‘jullie’, drinkt opzichtig niet uit het glas van een van de seropositieve mannen en zegt doodleuk dingen als: “Homo’s moeten een keer uit hun slachtofferrol stappen. Ze maken van hun leven één grote opera.” Onder het mom van “Humor, daar hou ik van” legt zijn personage een pijnlijk weglachmechanisme aan de dag, dat discriminatie natuurlijk ontzettend in stand houdt.

Cohen smeedt het geheel tot een zorgvuldige, soms wat wijdlopige well made play – waar tussen een hoop ellende aardig wat te lachen valt. Zijn regie is sober, dienend aan de tekst en zonder veel spannende vondsten. Hij heeft een flink aantal snibbige personages neergezet, maar geeft ze genoeg gelaagdheid zodat je ze toch al snel in je hart sluit. Zelfs de foute manager is uiteindelijk ook maar een goedbedoelende, naar liefde hunkerende vader. Het is jammer dat de voorstelling door de vele zijwegen, bijpersonages en subplotjes gaandeweg focus verliest. Vooral in de tweede helft betaalt zich dat ten nadele uit, als alle verhaallijnen plichtsgetrouw achter elkaar afgewikkeld moeten worden. Bovendien zijn er een stuk of drie valse eindes.

Door beide generaties met een soortgelijke struggle te confronteren – namelijk het vormgeven van het verdriet om het verlies van een dierbare – is Poz Paradise in de kern vooral een generatieportret en een universeel rouwverwerkingsdrama. Mike Reus en Huib Cluistra spelen een vijftiger en twintiger, die elkaar in een mooi intieme, ongemakkelijke strandscène vinden in het delen van hun eigen verdriet. Twee mensen, in bijna alle opzichten mijlenver van elkaar verwijderd, maar toch even samen. Tijdens dat soort breekbare momenten is Poz Paradise op zijn sterkst.