Theater Blind Date
Door Thijs Römer, Katja Schuurman, The Fame Game en het DeLaMar Theater
Gezien 19/8, DeLaMar Theater (Amsterdam)
Te zien t/m 6/9, aldaar


Voor de filmversie van Blind Date uit 1996 nam regisseur Theo van Gogh twee verschillende eindes op. In de eerste versie (die uiteindelijk in de film belandde) stopt het mannelijke personage op het einde een revolver in zijn mond en haalt de trekker over. In de tweede versie verschijnt er een vlaggetje in beeld met daarop pang!

Het illustreert de crux van het verhaal: de grens tussen feit en fictie wordt steeds diffuser, totdat uiteindelijk niet meer te zeggen is wat de personages verzinnen en wat er daadwerkelijk gebeurt. Dat fictionaliseren van hun eigen leven doen ze om vorm te geven aan een immens groot verdriet: het verlies van hun nog maar drie jaar oude dochtertje.

Dus om de gapende leegte die haar dood heeft achtergelaten te slechten, vinden ze een manier om het gesprek met elkaar aan te gaan: het rollenspel. In de theateradaptie spelen voormalige geliefdes Thijs Römer en Katja Schuurman het koppel in kwestie. Dat wordt bovendien bij de proloog – in een wat overvloedige explicatie waarin de twee kort hun drijfveren voor dit theaterproject uiteenzetten – meteen maar even benoemd.

Die inleiding is in die zin interessant, omdat het maar eens expliciet maakt dat de personages die in dit verhaal voortdurend toneelspelen, ook weer gespeeld worden en daarbij natuurlijk weer hun eigen (intieme) geschiedenis meenemen. Een potentieel interessante ingang voor deze voorstelling, die in regie van Ruut Weissman verder helaas niet wordt doorgevoerd. Vrij plichtsgetrouw voltrekken de verschillende ontmoetingen die de personages voor zichzelf en elkaar bedacht hebben – maar het ontbreekt daarbij behoorlijk aan spanning tussen de twee.

Het vergt gecompliceerde spelregisters om een personage te spelen, dat vervolgens een rol aanneemt en dan tegelijkertijd een mening over zichzelf én de ander vormt. Maar een wat al te flamboyante Römer weet eigenlijk maar nauwelijks te beroeren, en Schuurman is te vaak te geagiteerd om haar pijn te laten sluimeren. Daardoor wordt de pijn tussen de twee personages niet alleen nauwelijks invoelbaar, ook wordt de voorstelling al snel een herhaling van zetten. De verschillende scènes – steeds gebaseerd op een nieuwe contactadvertentie die een van hen in de krant plaatste – geven amper nieuwe informatie over of een andere kijk op de personages.

Tussen heen door danst (letterlijk en figuurlijk) Francis Sinceretti, voormalig solist van Het Nationale Ballet – qua abstractie een prettige afwisseling in het verder wat evidente geheel. Hij doet ook de voice-over (een belangrijk verschil met de film, waarbij het overleden meisje in de voice-overs over haar ouders praat). Opvallend genoeg is zijn visie op deze beschadigde mensen per saldo interessanter dan die mensen zelf. In zijn figurerende, dienende rol als ober wordt hij symbool voor de samenleving, de wereld om het koppel heen die onophoudelijk doorgaat, obers blijven altijd de glazen vullen, hoe vaak ze ook worden beledigd of verleid en hoe ondraaglijk alle pijn ook mag zijn.

Het decor van Jan Geldof verbeeldt een geabstraheerde speeltuin met klimrekken en rekstokken. Spelenderwijs wringen we ons in bochten en kronkelen we om elkaar heen. Maar uiteindelijk wordt natuurlijk onvermijdelijk dat pistool de toneelvloer opgedragen. Welk einde we dan kiezen laten ze aan ons.