Theater Van de koele meren des doods
Door Hummelinck Stuurman Theaterbureau
Gezien 13 oktober, Het Nationale Theater (Den Haag)


De theaterbewerking van Van de koele meren des doods, naar de gelijknamige roman uit 1900 van Frederik van Eeden, begint en eindigt in het Parijse Hôpital de la Salpêtrière, waar een zwaar aan de morfine verslaafde Hedwig wordt gevonden en aan Zuster Paula haar levensverhaal vertelt. Zo’n raamvertelling is een veelgebruikt trucje: op die manier kun je sommige scènes volledig uitspelen, maar is het ook mogelijk om even snel door delen van het verhaal heen te ‘skippen’. Het is tegelijk vaak funest voor de spanningsboog en kan het publiek nodeloos uit het verhaal halen.

Ook hier voegt het per saldo weinig toe: Zuster Paula (Ellen van Drumpt) zit gedurende de hele voorstelling – bijna twee uur – vrijwel stilzwijgend op het toneel, hooguit vraagt ze af en toe dingen als ‘Wat gebeurde er toen?’ Zelden zag ik een personage dat zo veel op het podium was, maar waar de toneelschrijver zo weinig aandacht aan besteedde. Ze heeft geen dramatische ontwikkeling of dubbelheid, ook brengt ze haar tegenspeler niet op een spannende manier uit evenwicht. Al haar schaarse tekst staat in dienst van het ten overvloede voortstuwen van de anekdote.

Die kritiek is geadresseerd aan bewerker en regisseur Ger Thijs. Niet de minste nochtans: hij heeft tal van bewerkingen van Nederlandse, literaire klassiekers op zijn conto – ik herinner me een mooie Eline Vere (2015) van Couperus, net als nu met Hanne Arendzen in de hoofdrol – maar hij sloeg eerder ook al eens de plank mis – bijvoorbeeld met een zeer stoffige Bint (2016) van Bordewijk.

Zijn nieuwe werk valt helaas het meest in de laatste categorie. Terwijl Van Eeden met Hedwig een zeer gelaagd, ongrijpbaar personage neerzette, focust Thijs is zijn toneelbewerking vooral op de anekdote. Haar diverse minnaars komen in een treintje voorbij en dat krijgt veel meer aandacht dan de verwarring, opwinding en doodsangst die deze mannen in het hoofd van Hedwig achterlaten.

Bij aanvang zien we een toneelbeeld waarin er allerlei objecten onder witte doeken zijn verhuld. Maar als Hedwig gaandeweg haar hele levensverhaal aan die o zo geduldige Zuster Paula opbiecht, wordt er steeds meer meubilair dat aan de betreffende levensfase gelinieerd is, onthuld. Zo benadrukt Tom Schenk met zijn toneelbeeld: eerder dan de menselijke psyche, wordt hier een toegedekte geschiedenis blootgelegd.

Die keuze heeft zijn doorwerking op alle personages. Willem Voogd speelt de jonge kunstenaar waar Hedwig verliefd op wordt en die uiteindelijk voor haar ogen zelfmoord pleegt. Hij doet dat helaas op zo’n schreeuwerige manier dat er van enige hartstocht tussen die twee nauwelijks wat te merken valt. Tijn Docter speelt Gerard, de psychiater met wie Hedwig een verstandshuwelijk heeft. Docter maakt van hem een wat al te sullige goedzak. Leukste mannenrol is Vincent Croiset als Henri, óók een sullige goedzak, maar bij wie je, zodra hij na een half leven verlangen eindelijk Hedwig voor zich heeft gewonnen, plotsklaps alle artistieke ondeugd en vrolijke levensvreugde uit zijn ogen ziet verdwijnen.

En dan is er natuurlijk nog Hanne Arendzen, van wie je vooral weet dat ze zo veel meer in haar mars heeft dan ze hier kan laten zien.