Theater Poëzie
Door De Knapperige Mannen
Gezien 7 maart 2019, Stathe, Café Theater Festival (Utrecht)


Café Stathe is een van de moeilijkste speelplekken voor makers op het Café Theater Festival, vertrouwde artistiek directeur Alinde Hoeksma me vlak voor aanvang toe. Bij binnenkomst is meteen duidelijk waarom: de tot de nok toe volgepakte en lawaaierige donderdagavond-kroeg biedt nauwelijks ruimte voor loop- en zichtlijnen, wat per saldo voor een lage concentratie bij het publiek zorgt. Wat een contrast met het relatief brave, gefocuste publiek in de wijnbar of het lunchcafé, waar ik eerder die avond voorstellingen bekeek.

Nu kan ik me voorstellen dat dit makers zou afschrikken, maar als dat al het geval zou zijn bij De Knapperige Mannen, zou je dat in elk geval niet zeggen. Integendeel: ze lijken er plezier uit te scheppen het rumoerige café voor zich te winnen. En zo waar: met hun fysieke slapstick, waarin ze zichzelf en elkaar geen moment sparen, winnen ze al snel de sympathie van de daarvoor nog weerspannige studenten aan de toog. Onvermoeibaar betrekken ze het publiek bij hun spel. Met groot uitgemeten mimieken weten ze elk hoekje van het café mee te nemen.

Dat zijn grote kwaliteiten van deze spelers. Maar wat is het vervolgens jammer dat die kwaliteiten in dienst staan van een volstrekt onzinnig plotje – dat werkelijk geen enkele poging doet iets meer aan te boren dan rechttoe rechtaan flauwigheid. Ik pleit echt niet voor een gecompliceerde betekeniswereld, maar slapstick wordt pas echt grappig als het resoneert met een groter, wezenlijk sentiment. Als er geen contrast is waar de onnozelheid mee schuurt, staat er per saldo niets op het spel.

Als de beroemde dichter Bartholomeus Dieptroost vlak voor zijn voordracht (en ondanks verwoede BHV-pogingen) overlijdt, proberen Egbert, IJsbrand en Robert-Jan (gespeeld door – in willekeurige volgorde – Ferdi Celik, Jules van Rijn en Jorrit Jansen) de avond te redden door het drama te verzwijgen en het publiek op hun eigen quasi-poëtische rijmpjes te vergasten. Dit loopt natuurlijk in mum van tijd uit op een hoop onderling geruzie, dat in het volgepakte café al snel voornamelijk vervliegt.

Uiteindelijk blazen ze gezamenlijk de aftocht. Met een grote lijkzak op hun schouders verlaten ze het café. Een nietsvermoedende roker op het terras kijkt hen met grote ogen na, haalt zijn schouders op en wandelt het café in. De nacht is nog jong.