Theater Dood in Venetië
Door Internationaal Theater Amsterdam, Koninklijk Concertgebouworkest
Gezien 4 april 2019, Koninklijk Theater Carré (Amsterdam)


Halverwege wordt het blinkend spiegelende goud van de toneelvloer langzaam vervangen door zand, en verliest zo niet haar kleur, maar wel haar glans. Een mooie vondst van scenograaf Jan Versweyveld. Zijn toneelbeeld ademt dat Venetiaanse gevoel, van zee en overdaad. Vooral dat laatste – overdaad – typeert deze productie.

“Een godenroes op afstand,” zo ervoer het personage Thomas Mann – schrijver van De dood in Venetië – zijn tijd in Venetië. Hij schreef er een verhaal over: wanhopig op zoek naar inspiratie reist schrijver Gustav von Aschenbach af naar Venetië en raakt in de ban van de schoonheid van een veertienjarig jongetje.

In zijn toneelbewerking onderwerpt Ramsey Nasr de novelle aan een bijzondere lezing: namelijk die van de schrijver zelf. Simultaan aan Manns plot, voert Nasr de schrijver zelf – ‘Tommy’ – en zijn vrouw Katia op. Zo zien we hoe Von Aschenbach (Nasr) overvallen wordt door lusteloosheid, terwijl Tommy (Steven Van Watermeulen) tegelijkertijd vastloopt in een writers block. En als Von Aschenbach in de ban van de jonge knul raakt, tintelt verderop de inspiratie door Tommy’s lijf.

Op die manier wordt niet alleen de evidente invloed van een auteur op diens werk getoond, maar ook hoe dat terugslaat: welke invloed het boek (en dus zijn schrijver- en kunstenaarschap) op hém en zijn omgeving uitoefent.

Regisseur Ivo van Hove vond het belangrijk dat muziek en spel een evenredig aandeel in de voorstelling hadden en plaatste de 47 orkestleden plus dirigent (David Robertson) van het Koninklijk Concertgebouworkest en countertenor Yuriy Mynenko op het podium. En ondanks dat de tekst van Nasr wel degelijk leidend is, neemt de muziek (nieuw werk van Nico Muhly, aangevuld met Webern, Strauss, Monteverdi, Bach en Schönberg) soms op onverwachte momenten een loopje met de personages.

Lang dreigt de voorstelling – ondanks de prominente aanwezigheid van Tommy als becommentariërende factor – een literaire maar ontheatrale vertaling van het boek te worden. Veel observaties, veel bedenkingen, maar bar weinig drama in het hier en nu.

Pas halverwege leeft de voorstelling eventjes op. Dan wordt de focus verlegt van Von Aschenbach en zijn onbereikbare begeerte, naar diens schepper: de schrijver en zijn vrouw, en is er even wezenlijk sprake van een dramatische dubbelheid, van afkeer en verlangen die om voorrang strijden. Dan krijgt bovendien ook de aanvankelijk ondankbare rol van Katia (Marieke Heebink) reliëf: ze bevraagt haar man naar zijn motieven, betrapt hem op de autobiografie die hij aanvankelijk ontkent te schrijven en confronteert hem met de consequenties ervan – voor hem, haar en hen samen.

De scène is een opluchting, omdat er eindelijk iets tastbaars op het spel staat, Nasr de ruimte neemt dat te exploreren en het zijn personages uit laat vechten, in plaats van dat het in gestileerde taal en suggestieve beelden blijft steken. Zo komen de grote thema’s als overgave en verantwoordelijkheid eindelijk tot leven. Het moment heeft iets prettigs aards binnen alle de geabstraheerde esthetiek.

Maar uiteindelijk verzuipt de voorstelling weer in het bombast: de overweldigende muziek, het weldadige decor, het vooral afstandelijke, gestileerde en nagenoeg humorloze spel – en omgeven door avondrood licht, terwijl voor de zekerheid Im Abendrot van Strauss aanzwelt, dooft Dood in Venetië als een nachtkaars uit.