Theater Wie is er bang voor Virginia Woolf?
Door Dood Paard
Gezien 7 april 2019, Frascati (Amsterdam)


Ineens zag ik het: eigenlijk schemert er altijd wel iets van Martha in het spel van Manja Topper. Tikkeltje hysterisch, manipulatief, speels en gevaarlijk – alsof de rol, die ze bij Dood Paard in 1994 voor het eerst speelde, sindsdien voortdurend doorwerkt in al haar andere personages. In 2013 werd de voorstelling al eens hernomen en het staat nu voor de derde keer op het programma. Steeds met Topper als Martha en Kuno Bakker als George, maar ditmaal met André Dongelmans en Rosa van Leeuwen als Nick en Honey.

In Edward Albees klassieker uit 1962 ontvangt het echtpaar George en Martha in de nachtelijke uren na een feest nog twee jonge gasten, over wier rug ze een onderlinge oorlog uitvechten – en die ze uiteindelijk meedogenloos mee dat gevecht insleuren. Het toneelbeeld is sober: in de vier hoeken staan vier kamerplanten, die nog enigszins voor zuurstof moeten zorgen. In het midden een drankkast met een bos bloemen. Boven hen hangt een grote zwart-witfoto van een gekwelde baby – het pasgeboren kind als symbool voor wat beide echtparen zowel bindt als uit elkaar drijft. Uiteindelijk zie je in de drankkast ineens het altaar dat het eigenlijk is, en transformeert de kille huiskamer op prachtige wijze tot uitvaartcentrum.

Dood Paard brengt de tekst ingetogen, verraderlijk terloops en vaak frontaal op het publiek gericht. Losgezongen van het realisme – deze personages hebben geen drank nodig om beneveld te raken – komt de focus op de fenomenale spelers en de messcherpe mechanieken achter hun woorden te liggen.

(Tekst gaat verder onder de afbeelding.)

Foto: Sanne Peper

Topper excelleert in haar rol. Met haar harde schakels is ze gevaarlijk onvoorspelbaar, tegelijkertijd laat ze precies genoeg kinderlijke onzekerheid toe om haar rol spannend te houden. Bakker speelt George met een bij vlagen manisch fanatisme, maar zonder enig moment de controle te verliezen. Het maakt hem zowel schrijnend als schuldig. Dongelmans is een verrassend spannende Nick: aanvankelijk een goedbedoelende goedzak, maar daarachter schuilt al snel dezelfde botte ambitie die hij beweert te verachten. Van Leeuwen geeft Honey een treurigheid mee die door merg en been gaat – en die zich uiteindelijk manifesteert in een hardnekkig emotioneel schild, wanneer ze doodleuk, als enige overlevingsmechanisme, elke wezenlijke situatie ontkent: “Ik ben een konijntje.” Grappig, absoluut, maar in haar volharding ook oeverloos triest.

Prachtig zijn de veelzeggende stiltes, bijvoorbeeld het minutenlange zwijgen als Martha de waarheid over Georges ouders heeft opgebiecht. In ingedikte stilte begeven de personages zich ieder naar een andere hoek van de ruimte, ogen schieten heen en weer over de speelvloer, ieder maakt zich op voor een nieuwe veldslag: incasseren, oriënteren, herpakken. Of: herladen, aanleggen, afvuren.

Nog zoiets: vaak is een pauze in een voorstelling funest voor de spanningsboog. Maar hoe de spelers het publiek – vlak voor de finale nota bene – de zaal uitsturen, terwijl ze ons, vanuit hun gemakkelijke fauteuils op het achtertoneel, glimlachend nakijken, is een regelrechte pesterij van George en Martha: drinkt nog wat, blijf nog even hangen, we zien jullie zo weer. Herladen, aanleggen, afvuren. En elk schot treft doel, in deze ongemeen mooie enscenering van Dood Paard.