Op 27 mei 1989 sprak Bas Teeken in de Zwarte Zaal van deSingel in Antwerpen het korte woordje ‘en?’ uit – de openingsclaus van De Gebiologeerden, die hij en Peter Van den Eede toen voor het eerst opvoerden. Dat moment markeert het ontstaan van Cie. de KOE (al ging daar natuurlijk ook weer een hoop aan vooraf). Ter ere van het dertigjarig bestaan publiceert de KOE nu een rijke jubileumuitgave, waarin het zichzelf op eigenzinnige wijze onder de loep neemt.

Verwacht daarbij (uiteraard) geen chronologisch, descriptief proza dat het verloop van de 65 producties, van De Gebiologeerden tot ACHTER/AF, keurig omvat. Hardop nadenkend over hoe een boek over de KOE er uit zou moeten zien, schetst de huidige artistieke kern – Peter Van den Eede, Willem de Wolf en Natali Broods – een treffend beeld van de werkwijze en filosofieën van het collectief. Vorm en inhoud vallen naadloos samen: KOE DOET BOEK is een boek dat leest als een voorstelling van de KOE, dat al begonnen was voordat je er klaar voor was, zichzelf voortdurend herformuleert en ter discussie stelt, en waarin interessante inzichten je ineens overvallen.

Het eerste deel bestaat uit een uitgeschreven dialoog tussen de drie kernleden, een dramolette met als inzet: als we een jubileumboek over de KOE zouden maken, wat zou daar dan in moeten komen, en hoe?

NATALI
Feilbaar. Ruw. Zoekend.
Documentair. Kwetsbaar.
Met veel onderbrekingen.
Met veel ruis.
Met opsommingen.
En herhalingen.
We tonen de KOE in het echt.

Ogenschijnlijk terloops – zoals dat in voorstellingen van de KOE ook gaat – bevragen ze op die manier de belangrijke waarden van het gezelschap – waarbij zo nu en dan ook het daadwerkelijke hier en nu van de situatie tussendoor komt: een reutelend koffieapparaat dat de dialoog overstemt bijvoorbeeld, tot onvrede van degene die op dat moment net aan het woord is (vaak Van den Eede).

Bij de uitgeschreven dialoog worden vervolgens voortdurend (vooral door De Wolf en Van den Eede, sporadisch door Broods) voetnoten geplaatst, waarin ze zichzelf na teruglezen herformuleren, aanvullen, verbeteren of elkaar tegenspreken. Soms krijgen die voetnoten bovendien nog een asterisk. Op die manier stellen de makers zichzelf in staat te reflecteren op hun dialoog en eerder gevoerde interviews aan te halen.

Die dialogische structuur, het onderbreken en het voortdurend uitweiden in voetnoten en voetnoten-op-voetnoten, resoneert op sterke wijze met het schijnbaar meanderende karakter van de voorstellingen van de KOE: met een plezierig maar hardnekkig fanatisme wordt alles bevraagd, in twijfel getrokken, hardop geëxploreerd. Inzichten vergaren is een handeling, eentje die grillig verloopt bovendien. Zodra een inzicht vergaard is, is deze klaar om onderuit gehaald te worden. Het persoonlijke, het filosofische, het absurdistische en het impliciet politieke lopen de hele tijd dwars door elkaar heen.

Tegelijkertijd voel je voortdurend een soort verzet tegen het definitieve karakter dat inherent is aan een boek, en dat zich moeizaam verhoudt tot het zoekende karakter van de voorstellingen van de KOE (en het vluchtige van theater in het algemeen).

WILLEM
Een boek is definitief.
Een voorstelling is voorlopig,
een voorstelling is altijd een
voorlopig voorstel.

Of ze nu al begonnen zijn voor het begin (al vanaf de kaft val je halverwege in de dialoog), wanneer het gaat om intelligentie op toneel (Van den Eede: ‘Eigenlijk willen we dat mensen zien hoe intelligent we onze eigen intelligentie hebben gemaskeerd en uitgewist.’) of in hoeverre het apolitieke karakter van hun werk juist politiek bedoeld is, in hun gesprekken komen ze voortdurend uit op paradoxen.

Van den Eede zegt: ‘Als men mij zou vragen ‘wat is dat dan, de KOE?’, als men mij zou vragen of het een stijl is, dan zou ik wellicht zeggen: ‘Neen, het is geen stijl, het is een attitude. Het is de uiterste poging om beweeglijk te blijven in het op de spits drijven van paradoxen.’

Die paradox wordt bovendien doorgevoerd in de hele opbouw en inhoud van deze uitgave. Het boek heeft een aantal eindes in zich, al zitten die wel ergens halverwege. Bijdragen van derden zijn er ook, maar alleen in de vorm van antibijdragen: in hun weigering mee te werken aan een jubileumboek over de KOE draagt een diverse groep mensen bij aan datzelfde boek.

Na de uitgebreide openingsdialoog volgt een rijke verzameling archiefmateriaal; onder andere toneeltekst(fragmenten), krantenartikelen, aantekeningen, repetitiebeelden en scènefoto’s.

Ten slotte zijn er nog twee ‘bijlages’: een ‘snelcursus de KOE’ aan de hand van een aantal frequently asked questions, dat na het treffende openingsdeel enigszins als een wat kort door de bocht geformuleerde herhaling daarvan voelt, en de bundeling e-mails waarin mensen uitleggen waarom ze niet mee willen werken aan een boek over dertig jaar de KOE is vooral liefdevol en grappig.

Maar het ruim honderd pagina’s tellende openingsdeel – de dialoog tussen de drie kernleden, waarin ze al pratend over het boek, en reflecterend op dat praten, de werkwijze en poëtica van het collectief blootleggen – is veruit het interessantst.

Tijdens het lezen daarvan realiseer je je al snel dat dit het enige boek was dat de KOE had kunnen maken. Door terug te blikken op de afgelopen dertig jaar formuleert de KOE haar eigen poëtica, om die vervolgens, conform die poëtica, voortdurend te bevragen.

Een uitgebreid, paginavullend credo over toneelspelen is in deze structuur ‘maar’ een voetnoot bij een voetnoot, iets dat gevoelsmatig net zo makkelijk niet voorbij had kunnen komen. Vanuit terloopsheid komt de Koe al associërend tot de kern.

‘Toneel spelen is, in het beste geval, een vermetele, nietsontziende poging om tot een waarachtig hier en nu te komen. Een poging tot volledige leegte, tot volkomen tegenwoordigheid van geest, een mens op de rand, naakt en ontdaan van elk verhaal. Meteen daarna kan het spektakel van de werkelijkheid weer beginnen.
Een werkelijkheid die fabelachtig, leugenachtig, maar daarom niet minder waar is. Ze is onze onvermijdelijke, zingevende leugen, zonder dewelke een mens niet naar waarheid kan leven.’

Weer die paradox.


KOE DOET BOEK komt 7 mei 2019 uit bij uitgeverij Hannibal