In 1999 speelde Abattoir Fermé haar eerste voorstelling: De jacht op de Snark. Ter gelegenheid van het twintigjarig bestaan geeft het Vlaamse theatercollectief nu haar eigen abc uit. Het abc van Abattoir Fermé is een bundeling zeer persoonlijke kleinoodjes die de lezer getuige maakt van doorwaakte nachten, doorwrochte maakprocessen en hilarische backstage-momenten van twintig jaar theatermaken.

Eind jaren tachtig struint een vijftienjarige Stef Lernous alle videotheken in Antwerpen en Mechelen af op zoek naar films die in The Phantom of the Movies – een cultfimoverzicht van een anonieme recensent – worden vermeld. ‘Van high art tot super trashy’, omschrijft Lernous het in een interview met Karel Vanhaesebrouck, dat halverwege deze jubileumuitgave te lezen is. ‘En je merkt dat die kloof niet heel groot is.’

Geïntrigeerd door cinema gaat hij op zijn achttiende voor het eerst naar Los Angeles. Daar vindt hij hetzelfde dna, dat later zo bepalend wordt voor Abattoir Fermé: ‘Het is fascinerend hoe high en low art er letterlijk naast elkaar bestaan.’

‘Ik kom er al bijna dertig jaar en heb nog altijd niet alles gezien. De stad blijft me verrassen. Natuurlijk is de stad saai vanuit de auto. You have to get your hands dirty!’ Het wordt een belangrijk credo, iets dat hij later ook aan Maja Westerveld, de jongste aanwinst van Abattoir Fermé’s artistieke kern, meegeeft. ‘Je moet je handen vuilmaken.’ En ‘je voortdurend volstouwen met literatuur, films, teksten, documentaires en series’.

abc
Ruggengraat van het boek vormt het abc: een mozaïek van korte prozamomentjes, gesorteerd op alfabet, maar dat kan de prettige willekeur geenszins verhullen – van A(battoir Fermé) tot Z(wartgenekte Zwaan) en vijfenzeventig miniatuurtjes daartussenin, vaak nog geen alinea lang, maar soms ook rustig anderhalve pagina.

Dat abc is even aangenaam als uitwaaierend om te lezen. We krijgen flarden van repetitieprocessen (bijvoorbeeld een ritueel dat ze zelf Ontbijt TV zijn gaan noemen), terugkerende routines bij schrijfprocessen, productionele perikelen (een armadillo die door de douane moest), heel, heel veel inspiratiebronnen (films, comic books, horrorromans, affiches, bizarre nieuwsberichten) en inkijkjes achter de schermen tijdens voorstellingen. Er worden personages, figuren, (fabel)dieren en virtuele huisdieren die in de voorstellingen opdoken geïntroduceerd en er zijn dagboekfragmenten.

Outsider
Daartussendoor introduceren de kernleden van het collectief elkaar aan de lezer in liefdevolle ode’s. Een hoogtepunt is het gesprek dat artistiek leider Stef Lernous voerde met Karel Vanhaesebrouck. Het beeld dat de abc-fragmentjes schetsen is intrigerend omdat het zo persoonlijk is – door de gedetailleerde beschrijvingen voel je je als lezer bijna onderdeel van het collectief – maar lijkt soms ook wel erg geromantiseerd. Geen dagdagelijkse rompslomp, maar een aaneenschakeling van uitsluitend meeslepende, slopende maakprocessen en tours. Vanhaesebrouck is kritischer en causaler – en dat is voor de balans van deze uitgave een welkome afwisseling.

Hij onderwerpt Lernous aan een uitgebreid en diepgravend interview, waarin hij de fascinaties van Lernous probeert te herleiden, terugkerende tekens en motieven probeert te duiden en de signatuur tracht te omschrijven. ‘Het gaat niet om de vreemde outfits en witte schmink. Je moet zorgen dat de tijd anders loopt, dat textuur en patinage kloppen. Ritueel is niet herhaling, maar ook slijtage, dus op zijn beurt patinage. Muziek en geluid vertrekken deels uit inhoud, deels uit de buik.’

Terugkerend is Lernous’ fascinatie voor de outsider, de vreemdeling: ‘De outsider heeft wel degelijk legitimiteit. En het jezelf ten gronde richten is soms de prijs die je betaalt omdat je niet mainstream bent. Als je dat idee kunt omarmen, is die vrijheid heerlijk.’

Het populaire, het barokke en het theatrale
Vervolgens beschrijft Pol Dehert in een kort essay heel treffend de signatuur van het gezelschap, als een combinatie van ‘het populaire, het barokke en het theatrale’.

Met het populaire bedoelt Dehert specifiek niet de kwantitatieve of commerciële benadering ervan. ‘Lang voor kunst (hoge zowel als lage) een kapitalistisch wegwerpproduct was, bestond er zoiets als een volkse, subversieve, carnavaleske en populaire traditie. Daarin speelden de revue, de variété en de kermis, het lichamelijke en seksuele, de grap en de humor, het barokke en burleske een grote rol.’ Over Abattoir Fermé: ‘Niet alleen vormt het gezelschap een van de nog weinige overblijvende resistente kernen van waar populaire cultuur nog altijd voor staat, maar nog meer pleit het voor hen dat ze nooit toegeven aan de platte commercie of aan welke handel dan ook.’

Over het barokke schrijft hij onder meer: ‘Het vertoont alle kenmerken van een monsterlijk, barok, theatraal lichaam. Het muteert voortdurend en toch blijft de eigengereide stempel altijd herkenbaar. Het werk van Abattoir Fermé is sterk visueel, spectaculair zelfs, lichamelijk en expressief. Het spreekt alle zintuigen aan en beoogt een onmiddellijke impact op de toeschouwer. Het is allesbehalve contemplatief – naar binnen gericht, maar voluit explosief, zelfs transgresssief.’

Bovendien, schrijft hij, heeft Abattoir Fermé in de loop der jaren een eigen vorm van theatraliteit ontwikkeld: ‘Niet altijd gemakkelijke en evidente inhouden worden middels een eigenzinnige, maar adequate theatrale vertaling toegankelijk gemaakt voor een zo breed mogelijk publiek. Daarbij putten ze uitvoerig uit het historische repertoire van wat overblijft van een populaire verbeelding en slagen ze erin om die verbeelding levend te houden door ze telkens weer te revitaliseren.’

In de combinatie van korte, romantische prozafragmentjes die de meer diepgravende artikelen omlijsten, combineert het collectief met deze jubileumuitgave pulp met highbrow, hoge met lage kunst, hart met hoofd – en doet daarmee met dit boek uitstekend recht aan haar eigen dna.