Phi Nguyen heeft naar eigen zeggen ‘een problematische relatie’ met theater. Toch is hij een van de spannendste acteurs van het moment. Vanaf woensdag is hij te zien in Atlantis tijdens Festival Karavaan.

Een paar jaar geleden was Phi Nguyen (1984) helemaal klaar met het toneel. Hij zegde al zijn komende projecten af en werd kok bij Guts & Glory. Maar uiteindelijk ging hij toch weer spelen. Inmiddels zit hij in vaste dienst bij de Veenfabriek. Op een bouwterrein net buiten het centrum van Alkmaar, waar de Veenfabriek de locatievoorstelling Atlantis (theater mét maaltijd!) speelt, vertelt hij over zijn haat-liefdeverhouding met theater.

Eerst maar de liefde. Nguyen houdt van de verschillende blikrichtingen waar je in het theater mee geconfronteerd wordt. “Ik ga niet naar het theater om mijn eigen waarheid bevestigd te zien worden.”

“Het is een avontuur om na te denken over hoe we met elkaar omgaan. En daar moet je ook vooral de lol van blijven inzien. Ik hoop dat als mensen mij zien spelen, ze zelf ook worden aangezet om te spelen.”

Ik zou je niet omschrijven als een pleasende acteur die het publiek geeft wat comfortabel is.
“Het publiek wil volgens mij helemaal niet krijgen wat het denkt te willen krijgen. Als je het publiek geeft wat het wil, dan wordt toneel statisch, is er geen ontwikkeling. Dan is het enkel entertainment of amusement. Daar is niks mis mee, maar dat brengt geen verandering op gang.”
“Ik wil niet per se moeilijk doen of het publiek ongemakkelijk laten voelen, maar ik laat de zoektocht zien die ik zelf ervaar als ik me tot een rol of de maatschappij verhoud. Als ik oplossingen zou weten, zou ik waarschijnlijk geen theater maken.”

Heb je een voorkeur voor een bepaald soort rol?
“Ik vind het belangrijk om veel verschillende soorten rollen te spelen. Ik speel bij de Veenfabriek, maar ook bij de Toneelmakerij en Het Nationale Theater, en ik zit in een hele populaire sketch van Jandino Asporaat. Zo lang ik er zelf maar plezier in heb. Als ik er geen liefde voor voel of ergens niet werkelijk achtersta, dan kan ik het niet.”

Een paar jaar geleden gebeurde dat. Je hebt een jaar sabbatical genomen en bent gaan koken.
“Ik heb toen al m’n projecten afgezegd. Ik zei: als ik mezelf niet kan inspireren, hoe kan ik jullie dan wel inspireren? Toen heb ik een half jaar een koksopleiding gedaan in België en vervolgens ben ik in Amsterdam bij Guts & Glory gaan werken.”
“Ik kook graag voor mensen. Ik heb eigenlijk meer aanleg voor koken dan voor acteren. Ik hou ervan om met elkaar te eten en te praten, samen het moment te delen. Net als in het theater eigenlijk. Voor mij is dat hetzelfde.”
“In een keuken is alles duidelijk. Daar had ik op dat moment heel veel behoefte aan, dat ik rustig kon nadenken: wil ik nog wel verder met toneel? Want ik werd zo chagrijnig van het theaterlandschap. Ook door die hele teneur dat kunst overbodig zou zijn. Die grote bezuiniging en het debat daarover raakten mij. Ik werd er zo moe van dat verkoopcijfers en publieksaantallen het belangrijkste werden. Ik dacht: Phi, als je chagrijnig wordt van iets, betekent dat niet per se dat het aan de ander ligt. Het kan ook aan jezelf liggen.”

Toch ben je na een jaar weer gaan spelen.
“Ik miste het spelen meteen enorm. Ik hou er ontzettend van, maar het blijft altijd wel een problematische relatie tussen mij en het theater.”
“Het hele idee dat toneel nuttig moet zijn, staat me tegen. Ik geloof wel dat theater een indirect effect kan hebben, maar we gaan geen maatschappelijke problemen oplossen. Ik vind het mooi dat je in het theater als toeschouwer op jezelf aangewezen bent om van de voorstelling iets te maken. Het is bijna als sporten. Als je naar de fitnessschool gaat, je hardloopschoenen aandoet maar niet gaat lopen, dan gebeurt er ook niets. Al die stoffen die vrijkomen in je hoofd, komen pas op gang als je zelf in beweging komt. Hetzelfde geldt als je naar een voorstelling gaat: pas als je zelf in beweging komt, dan gebeurt er iets.”