Werk en leven van acteur Hugo Koolschijn (1946) zijn gekenmerkt door angst. Zijn streng religieuze opvoeding heeft het fundament gelegd voor grote onzekerheden in zijn latere carrière als toneelspeler. Dat heeft hem overigens niet weerhouden van een imposante carrière: hij debuteerde ten tijde van Erik Vos bij het Haagse De Appel, speelde vervolgens in Amsterdam onder meer bij het Publiekstheater, dat later met Centrum fuseerde tot Toneelgroep Amsterdam, het stadsgezelschap waar Koolschijn – 72 jaar oud inmiddels – nu nog steeds in het vaste ensemble zit.

In april dit jaar kwam zijn autobiografische boek Voorstellingen uit – waarin hij zijn leven als toneelspeler als leidraad neemt om uit te weiden over zijn jeugd en privéleven. Want, schrijft hij zelf: “Naast het beroep had ik een slopend bestaan vol zorg, schaamte en zelfverwijt.”

Voorstellingen is opgedeeld is vijf delen, of levensfases, zo je wilt. Jonge jaren, Een nieuwe tijd, Gezelschap, Mourir en Een duistere rede. Het is niet moeilijk daarin parallellen met de Aristotelische dramaturgie te zien: expositie, motorisch moment, ontwikkeling, catastrofe (nee, het is geen komedie) en afwikkeling.

Koolschijn zet vanaf het eerste deel uitgebreid in op zijn extreem religieuze opvoeding – zijn vader was streng aanhanger van een dominee die zich afsplitste van een afsplitsing van de kerkgemeenschap – die de basis legt voor een leven vol angst en onzekerheid, die zich later ook gedurende zijn professionele carrière volop zullen manifesteren.

In gedetailleerd en zintuiglijk proza schetst Koolschijn een uitwaaierend leven waarin vooral veel mensen komen en gaan, maar dat bij elkaar wordt gehouden door een beperkt aantal constanten. Het toneel is daar wellicht de belangrijkste van. Een beroep dat hem niet altijd even gemakkelijk afgaat, maar waar hij, balancerend met faalangst, ambitie en zijn privéleven, toch houvast in vindt. Het is interessant om te lezen hoe hij voortdurend worstelt met verwachtingen van regisseurs, medespelers en publiek, met nieuwe speelstijlen en de onzekerheid die inherent is aan zijn vak. Koolschijn behoudt hierin een prettige eerlijkheid, ook naar zichzelf toe: hij spaart zichzelf noch de ander.

Een tweede constante is – hoe grillig, ongelijkwaardig en onbetrouwbaar ook – zijn vriendschap met Ramses Shaffy, die al op de derde bladzijde – zomer ’73 – wordt geïntroduceerd en wiens begrafenis het slotakkoord vormt. Van jongensachtige bravoure tot een weemoedige berusting: ontroerend, maar ook wat we wel kennen van Shaffy. Boeiender zijn bijvoorbeeld de inkijkjes in het maakproces van My diner with André, aanvankelijk in regie van Herman Naber (1886), later hernomen in regie van Gerardjan Rijnders (1990) bij TA.

Derde en grootste constante is de angst. Angst om te zwemmen, te vliegen, te spelen, angst voor de dood, angst voor de angst. Angst die hij maar zelden weet te onderdrukken, in korte momenten van levensgeluk of tijdens een van zijn vele fietstochten. Voorstellingen wordt daardoor gaandeweg wat zwaar op de hand. Koolschijn heeft beduidend meer ruimte in zijn boek gereserveerd voor de moeilijke momenten dan voor de lichtheid in zijn leven.

Doorheen die constanten sluit hij vriendschappen die hij ook weer verliest, lopen (drie) relaties stuk, krijgt hij vier kinderen, wisselt hij van gezelschap of wisselen die gezelschappen van artistiek leider of naam.

Het boek leest als een combinatie van dagboekfragmenten, memoires en proza – en is daardoor een mooi persoonlijk egodocument van de inmiddels gerenommeerde toneelspeler die zichzelf nog altijd als ‘de angstige tegenspeler’ omschrijft. Als toneelliefhebber had ik nog wel op een meer gedetailleerde, specifieke kijk op de ontwikkelingen van het theater gehoopt: Koolschijn scheert haast terloops langs de Aktie Tomaat (“Op gebrek aan politiek bewustzijn werd je hard afgerekend. ‘Ach, het is allemaal zo waanzinnig oninteressant,’ vond Ramses”), hij refereert kort aan de aanvankelijke moeite die hij had met de frontale speelstijl die Rijnders bij Toneelgroep Amsterdam introduceerde en de vernieuwende theatertalen die Ivo van Hove en Jan Versweyveld later inbrachten, maar hij blijft daarin aan de oppervlakte.

Het veranderend theaterlandschap is hier slechts een decor waarin hij zijn angst, twijfel en onzekerheden tentoonspreidt. Daarin is dit werk universeler dan ik vooraf vermoedde.


Voorstellingen van Hugo Koolschijn, april 2019, De Bezige Bij, 272 pagina’s, €24,99 (Paperback) €12,99 (E-Book)