Wie naar Oerol gaat, ontkomt bijna niet aan de koptelefoonwandeling door de natuur. Niets nieuws onder de Terschellinger zon. Maar dit jaar leek de audioroute populairder dan ooit. Was dit de editie van de individuele, contemplatieve ervaring?

Liefhebbers van de audiowandeling hadden tijdens Oerol 2019 keuze te over. Behalve in Walk of Things van Theater Rotterdam, Boogaerdt/VanderSchoot en Touki Delphine, die ik niet heb gezien, liep je als toeschouwer in Technostalgia van Ulrike Quade Company en Strijbos & Van Rijswijk, One Million People (And Me) van Veerle van Overloop en in In Order of Disappearance van Bart van de Woestijne met koptelefoon een route door bos en duin. Genoeg aanleiding om even wat langer bij de audiowandeling stil te staan.

Het zijn doorgaans geen plotgedreven voorstellingen, maar associatieve exploraties rondom een thema. Waar theater vaak in gezamenlijkheid tussen jou, de rest van het publiek en de theatermakers plaatsvindt, leveren die audioroutes steeds een uiterst individuele theaterervaring op – een ervaring waarover je wel met elkaar kunt napraten, maar die je niet samen beleefd hebt.

Ik heb de indruk dat makers vaak wat al te gemakkelijk uitgaan van het feit dat een natuurlijke omgeving de toeschouwer per definitie zou aanzetten tot contemplatie en zelfbezinning. Zelf schiet ik vaak in een reflex van recalcitrantie als ik weer met een abstract thema of een poëtische monoloog in m’n oren het duin word ingestuurd. Ik ervaar het individuele karakter van de audioroute vaker als een verschraling dan een verrijking van de theaterervaring.

Mijn verzet verdwijnt eigenlijk pas wanneer tekst en landschap elkaar niet één-op-één versterken, maar elkaar ondermijnen. Als banale taal de natuur ontheiligt bijvoorbeeld, of de poëzie haaks staat op de omgeving. Juist in het contrast tussen wat je hoort en wat je ziet, kantelt het perspectief en krijgt een audioroute betekenis. En dat contrast was deze editie soms ver te zoeken.

In One Million People and Me, een montage aan beschouwende flarden monoloog, horen we een stem die reflecteert op iemands zelfdoding en wat daaraan voorafging. Door de jij-vorm van deze tekst ontstaat er een intieme band tussen jou en de stem, en ga je je vanzelf identificeren met de personen waarover gesproken wordt.

Ondanks dat er in de tekst geen moment concreet aan de omgeving gerefereerd wordt, is de route die je loopt aanvankelijk nog betekenisvol. Doordat je door een rustige, keurig aangeharkte dorpswijk loopt word je met je neus op de feiten gedrukt: in elk huis kan een dergelijk drama zich afspelen. Schijn bedriegt, je weet nooit wat er achter de gesloten deuren plaatsvindt. Maar eenmaal uit het dorp lijken tekst en omgeving geen verband meer te hebben en verliest de voorstelling meteen urgentie. Er is geen sprake meer van een spannende wisselwerking tussen beeld en taal; geen beklemming of alledaagsheid die de monologen van een andere context voorziet. Het leed krijgt bijna iets opdringerigs, door het in deze verstilde context op te dienen.

In In Order of Disappearance van Bart van de Woestijne wordt de toeschouwer letterlijk toegesproken door een stem. Je krijgt opdrachten om je tot jezelf en je omgeving te verhouden: eerst tot de mede-deelnemers, vervolgens in een korte route tot het landschap. Ten slotte stap je, individueel, een klein hokje in en word je letterlijk van die omgeving en de ander afgesneden.

Bart van de Woestijne laat de deelnemer wel degelijk reflecteren op het landschap, maar refereert niet aan de specifieke landschappelijke kenmerken van dat moment – wellicht omdat de voorstelling later op andere locaties hernomen wordt. Ook hierbij had ik het gevoel dat de natuurlijke omgeving de ervaring juist in de weg zat: er was gevoelsmatig niet veel verschil tussen de verstilde, natuurlijke omgeving in de buitenlucht en het isolement van het afgesloten hokje – terwijl de voorstelling wel leek in te spelen op dat verschil.

In Technostalgia wandelde je via bos en duin langs verschillende hubs, vanwaar je keek naar objecten of een eenzaam dolende astronaut. Daar onderbrak je de route voor korte, schematische scènes. De verschillende scènes werden door het geluidsdecor van Strijbos & Van Rijswijk mooi aan elkaar verbonden. In deze voorstelling leek de omgeving minder dienend aan de audio dan bij de eerdere voorstellingen. Er bleef wat te raden over; het landschap bood volop aanleiding tot interpreteren. De dialogen koppel je weliswaar aan de objecten en personen die je ziet, maar hebben niet per se een concreet verband met elkaar.

‘Technostalgia’, foto: Ben van Duin

En hoe zit het met de mededeelnemers? Doordat je deze individuele voorstellingen steeds in gezamenlijkheid liep, begeeft de ander zich altijd binnen de zichtlijnen en wordt dus expliciet onderdeel van de omgeving waartoe je wordt uitgenodigd je te verhouden. Het feit dat die ander bovendien met een koptelefoon op dezelfde route loopt, confronteert je voortdurend met het feit dat je dat zelf ook aan het doen bent (vergelijkbaar met een theatersetting waarin het publiek aan weerszijden van de speelvloer tegenover elkaar zit, en door het zien van de ander ook voortdurend op zichzelf gewezen wordt).

Vaak werd de aanwezigheid van de ander echter niet inhoudelijk ingezet, leek het zelfs simpelweg te worden ontkend. Dat levert een discrepantie op die niet in dienst van de voorstelling staat en de individuele ervaring in de weg zit. Terwijl je dat ook kan ondervangen, zoals Bart van de Woestijne slim deed, door de aanwezigheid van de ander expliciet te benoemen en dat inhoudelijk in de voorstelling in te bedden. Juist door de aanwezigheid van de ander te benoemen, kun je die weer loslaten.

Bovendien heeft de handeling van het lopen zelf zelden daadwerkelijke consequenties, behalve dat de tijd verstrijkt en dus de plot of het verloop zich voltrekt. Ik moest denken aan de wandelvoorstelling Reverse van Johannes Bellinkx, vorig jaar te zien op (onder meer) Oerol. Daarin liep je als deelnemer achteruit een route door West-Terschelling. Het lopen zelf, dat daardoor een geheel nieuwe ervaring was die het bekende perspectief op het landschap volledig kantelde, was hierbij het belangrijkste inhoudelijke element van de voorstelling.

In Technostalgia droeg het ronddolen door bos en duin overigens wel bij aan het ontheemde gevoel dat de voorstelling sorteerde. Mooi was bovendien hoe het landschap gaandeweg de route (vanuit dichte bebossing naar een lege duintop) al zijn kleur en leven verloor: meer dan in de wat vrijblijvende scènes, zat de ontwikkeling van deze voorstelling vooral in de verandering van dat landschap. Overigens vond ik dat bij eerdere voorstellingen van Strijbos & Van Rijswijk, bijvoorbeeld En hier is lijf, sterker doorgevoerd, omdat daarbij geen sprake was van een vastomlijnde, duidelijk aangegeven route en de keuzes van de deelnemer daadwerkelijk invloed hadden op de dramaturgie van de voorstelling.

Er was dit jaar overigens ook een tegenhanger ten opzichte van de individuele theaterervaring van de audioroute: het collectieve ritueel waar het publiek gezamenlijk aan participeerde. In De ratten, de riten en het ritme van Orkater en Lars Doberman en Party Dialogues van Theater Artemis draaide het juist om de collectieve handeling – al bleven beide voorstellingen wel erg aan de vormelijke buitenkant.

Behalve overeenkomsten in vorm, tekende er zich dit jaar ook een duidelijke inhoudelijke trend af op Oerol. Ik zag opvallend veel voorstellingen waarin de toekomst als doemscenario werd gepresenteerd of onderzocht. Blijkbaar nodigt het eiland ook uit tot expliciet engagement – misschien is het de alomtegenwoordige natuur die doet realiseren dat we zuinig op de aarde (hadden) moeten zijn? De futuristen, Naar de maan of naar de haaien, Botanical Wasteland, Technostalgia; allemaal handelden ze om de toekomst van de mens en klimaat. Opvallend daarbij was dat alleen De futuristen nog (koortsachtig) zocht naar oplossingen, en bij de rest van de voorstellingen de dystopie als voldongen feit gepresenteerd werd.

De planeet even daargelaten – hoe zit het met de toekomst van het festival? Artistiek leider Kees Lesuis vertelde in een van de ochtendtalkshows op festivalhart De Westerkeyn dat hij meer verjonging zoekt binnen het festivalpubliek. Sterke keuze in dat kader vond ik de programmering van storytellingcollectief Mezrab – dat met drie verschillende voorstellingen binnen de reguliere theaterprogrammering (waaronder het sterke My Father Held a Gun) en nog veel meer pop-up performances prominent aanwezig was op het eiland en een jong en divers publiek aanspreekt. Overigens zal een daadwerkelijke slag in de diversiteit van het nu overwegend wat oudere, witte Oerolpubliek nog wel wat meer voeten in aarde hebben.