Tijdens Over het IJ Festival wordt Amsterdam Noord overgenomen door jonge theatermakers. Tot en met zondag zijn er uiteenlopende voorstellingen te zien in loodsen, pleinen en op de werf.

Performance-collectief La Isla Bonita was vrijdagavond een van de openingsvoorstellingen van het festival. Ook in hun vijfde voorstelling hanteren de jonge makers hun vaste formule, waarbij ze een maatschappelijk engagement koppelen aan een specifieke fysieke sport – zoals in hun debuut La Isla Bonita (vluchtelingencrisis en ritmische gymnastiek), La Lucha Libre (gendernormen en Mexicaans worstelen) en Atlantis (hydrofeminisme en zeemeerminzwemmen).

Ditmaal verenigen ze machtuitoefening met horsing (het rijden op een stokpaardje, een sport die vooral in Scandinavische landen serieus in opmars is) in een aanvankelijk geestige kantoorslapstick die onverwacht even zeer grimmig wordt.

Aan de rand van het IJ is een grote vergadertafel in carréopstelling geplaatst. Door het weidse uitzicht doet het denken aan een hip kantoorpand met panoramaview. Lange tijd draait de voorstelling vooral om de kolderieke satire. Al bij het doornemen van de agenda (vol trendgevoelige termen als ‘crunchtime’) wordt de holle managersretoriek vrolijk belachelijk gemaakt. Bij enige (potentiele) onenigheid gaan dingen ‘in de ijskast’ of overstemt een van hen de rest met een simpel: ‘Klap erop!’

Dat ze gaandeweg hun stokpaardjes erbij pakken en gaan horsen komt wat uit de lucht vallen, maar doet denken aan hippe managersfilosofieën als staand vergaderen of tafeltennisoverleg. Uiteindelijk transformeert de ruimte tot heuse paardenbak en oefenen de onderlinge leden al horsend dezelfde onderdrukkenstrategieën, vernederingen en uitputtingsslagen op elkaar toe als in de vergaderzaal. Als een potje ‘oorlogje spelen’ vervolgens volledig uit de hand loopt, besef je ineens dat die managers vanachter hun bureaus precies hetzelfde doen: oorlogje spelen, totdat je het punt voorbij bent waarop je nog terug kan.

De performers doen in De managers niet veel anders dan onze wereldleiders: ze verleiden elkaar en hun publiek (in leuke, droogkomische scènes) maar voor je het weet zit je te lachen om iets waar niet meer om te lachen valt. Een spannend besef in een verder vermakelijke, maar wat te uitgesponnen kantoorparodie.

Dit jaar is het kenmerkende festivalhart met de vele zeecontainers – waarin aanstormende theatermakers zeer kort werk presenteren – opgebouwd rondom sociëteit Sexyland. Van daaruit vertrekken ook de voorstellingen die na aanschaf van een festivalbandje gratis te bezoeken zijn.

Foto ‘Beige’: Jean van Lingen

Een van die voorstellingen is Beige van Sheralynn Adriaansz. Ze viel de afgelopen twee edities al op met korte, persoonlijke voorstellingen in een zeecontainer op het festivalhart. Dit jaar mocht ze een langere voorstelling maken, waarin ze onderzocht hoe je trots kan zijn op iets waar je geen enkele invloed kan uitoefenen: je roots.

Bij binnenkomst is Adriaansz druk bezig met de voorbereidingen van een ritueel, waarbij ze ook een aantal mensen uit het publiek om hulp vraagt. Het ritueel is ontsproten uit haar zoektocht naar haar culturele identiteit: haar moeder is Surinaamse, haar vader Tanzaniaans.

In Beige vertelt ze hoe ze zich wilde verdiepen in de tradities van haar Afrikaanse culturen, maar voortdurend geconfronteerd werd met het feit dat ze er eigenlijk niet bij hoort. Op de Tanzaniaanse markt noemen ze haar ‘de witte’, van de Surinaamse sieraden kent ze de betekenis niet en in Nederland begint iedereen voortdurend weer over de schattige ‘halfbloedjes’ die ze zou krijgen als ze kinderen zou krijgen.

Tijdens haar eerdere korte performances viel Adriaansz me al op door de rust die ze durft te pakken, en ook in deze wat langere boog is dat een grote kwaliteit – waarmee ze zich meteen van veel andere jonge makers onderscheidt. Zeer trefzeker, met een fijne afwisseling van onverwachte humor en ontroerende anekdotes, vertelt ze haar slim opgebouwde verhaal, dat uiteindelijk de inleiding blijkt voor haar zelfbedachte ritueel: een combinatie van het Surinaamse wasritueel en een Tanzaniaanse sinaasappelritueel. Voor alle ‘beige’ kindertjes die meerdere culturen in zich dragen, legt ze uit. Op de valreep ontzenuwt ze bovendien op slimme wijze de heiligheid omtrent dat ritueel, in een prettig-banale onthulling die de slotsom van haar performance eigenlijk alleen maar waardevoller maakt.

In de museale choreografie Mensen dragen dingen ontregelt Lotte Boonstra de publieke ruimte door de mens te exposeren als ‘dragend wezen’. Op een leeg plein tussen de scheepsbouwloodsen en filmende hangjongeren toont ze de mens, haast bezwijkend onder het gewicht van uitpuilende backpacks, gigantische jerrycans, en zelfs betonblokken. Of stoïcijns winkelwagentjes vooruitduwend, afval meezeulend of verdrinkend in gigantische kostuums. En altijd de uitputting tegemoet. Zo weet Boonstra, in een wat willekeurige en dus iets te vrijblijvende choreografie, met haar poëtische en prettig absurde beeldtaal ons perspectief op onszelf zo nu en dan voor een kort moment te kantelen.


Meer informatie en kaartverkoop: overhetij.nl