Cabaret
Situatie gewijzigd van Theo Maassen. Gezien: 10/10 De Kleine Komedie (Amsterdam). Tournee t/m 15/3. Inl: theomaassen.nl


Theo Maassen is een heteroseksuele witte man van middelbare leeftijd. En daar kan hij verder ook niks aan doen. Dat is ongeveer de premisse van zijn tiende cabaretvoorstelling Situatie gewijzigd. Maassen voelt zich in een hoek gedreven en meent op te moeten komen voor de groep waartoe hij zich rekent.

De witte man die zich bedreigd voelt; dat klinkt als een satirische omdraaiing van het racismedebat, maar dat komt in Situatie gewijzigd (regie: Martijn Bouwman) als zodanig toch niet helemaal uit de verf. Maassen gelooft in de evolutieleer – ook in eerder werk refereert hij daar veelvuldig aan – en toont zichzelf bij aanvang van de voorstelling letterlijk als aap op een rots, die instinctief zijn territorium verdedigt. In die veelzeggende vorm (die sterk doet denken aan Wunderbaums Daar gaan we weer) omlijst hij zijn monoloog, waarmee hij lijkt te benadrukken dat we niet moeten vergeten dat we allemaal van de apen afstammen. Racisme bestaat feitelijk niet, las hij in een interview met een bioloog, omdat er feitelijk maar één ras is: de homo sapiens.

Natuurlijk is dat een veel te simplistische benadering van het verhitte debat dat er op dit moment in Nederland gevoerd wordt, maar het toont wel een glimp van de verbinder die achter alle stoere praat in Maassen schuilgaat – en die, tot aan de veel vlakkere voorganger Vankwaadtoterger (2016), veel meer ruimte kreeg om zich te manifesteren. Die voorstelling lijkt sowieso een kantelpunt: verknoopte Maassen eerder zijn maatschappelijk engagement (zijn kritiek op de consumptiemaatschappij, het vrijemarktdenken, politieke polarisering, de opwarming van de aarde) op betekenisvolle wijze aan zijn eigen leven(sfase), sinds Vankwaadtoterger schiet hij in een veel minder spannende reflex, namelijk de verdediging. Toen verdedigde hij de humor, ditmaal dus de witte man.

Allereerst: Situatie gewijzigd heeft weer een zeer hoge grapdichtheid. Als geen ander weet Maassen de suggestie te wekken naar een punt toe te werken, om vervolgens op de valreep radicaal voor een andere afslag te kiezen. Dat, zijn voorliefde voor grofheid en zijn verongelijkte, maatschappijkritische blik zijn vintage Theo Maassen en daar heeft hij geen cent op ingeleverd.

Maar die defensieve insteek levert nu voor zijn doen wat drammerig cabaret op. Hoewel hij zijn zorgen om de wereld terloops in een mooie metafoor van een puberende gamer weet te vangen (die vanuit zijn zolderkamer naar zijn ongeduldige moeder schreeuwt dat hij eraan komt: ‘het is bijna afgelopen!’), blijft hij per saldo toch steeds weer uitkomen op zichzelf en zijn eigen benarde positie.

Het maatschappelijk debat is te voorzichtig geworden, meent Maassen, we moeten weer durven de dingen te benoemen zoals ze zijn. Weg met al die politiek correcte omzichtigheid, eufemismen en dure woorden (vroeger heetten ‘delinquenten’ nog gewoon ‘buitenlanders’), door de wereld in zwart en wit te verdelen veroordeel je de mens automatisch tot schaakstukken die met elkaar in strijd zijn.

Provocatie als stijlmiddel is Maassen vertrouwd: neem de ijzersterke, ambivalente tweede helft van Met alle respect (2011), waarin hij systematisch iedereen die hem niet beviel, dus zeg maar rustig iedereen, het land uitzette. Maar satire wordt pas echt spannend als die zich ook tegen zichzelf keert, en een van Maassens grootste kwaliteiten was dat hij zijn eigen blinde vlekken, hypocrisie en banale driften nooit buitenspel zette.

Opvallend genoeg doet hij nu – door te zeggen dat het om ‘de intentie’ gaat en hij een goeie gast is die het écht allemaal wel goed bedoelt – het tegenovergestelde: hij vrijwaart zichzelf bij voorbaat van enige schuld. Op en rondom zijn apenrots (of is het een bunker in oorlogstijd?), geheel in rood gekleed (het ultieme doelwit), verdedigt hij zijn identiteit als witte, heteroseksuele man, iemand die daar verder ook niets aan kan doen. Dat perspectief wordt niet of nauwelijks geproblematiseerd.

Meer dan ooit zijn seksisme en racisme daarbij terugkerende thema’s. Daar profileert hij zich expliciet mee: met de quote ‘seksistische en racistische grappen’ citeert hij zijn tweesterrenrecensie in Trouw prominent op zijn website, en ook bij aanvang van de voorstelling kondigt hij die thema’s expliciet aan en voegt daarbij vrolijk de daad bij het woord. Gretig draait hij rollen en verwachtingspatronen om. Zoals hij de witte man in de slachtofferrol manoeuvreert, presenteert hij vrouwen als de eigenlijke machthebbers over de mannen, omdat mannen zich voortdurend zouden schikken naar de wensen van vrouwen.

Het gaat er niet om óf hij al die grappen mag maken. Alles mag, maar de vraag is: wat schieten we op met dit geluid? De voorstelling ontbeert een mogelijk alternatief voor alle woede die Maassen presenteert – woede en verongelijktheid die ook in het publieke debat voelbaar zijn, en waarbij alle kanten baat hebben bij relativering, nuance, inleving en, niet in de laatste plaats, humor.

Dat het idioom dat voor het racisme- en identiteitsdebat voorhanden is niet altijd ideaal is, is evident en daar kun je grappen over blijven maken. Prima ook dat dat in het theater gebeurt. Maar wat is zijn voorstel? Zijn polariserende, verongelijkte perspectief krijgt in Situatie gewijzigd veel meer ruimte dan zijn voorzichtige, veel minder uitgewerkte handreiking tot verbinding. Zijn slotpleidooi, waarin hij de verdiensten van de witte man door de geschiedenis heen op een rijtje zet, is in dat kader – ironisch bedoeld of niet – een uiterst pijnlijk zwaktebod.