Theater
Pronk
door Anoek Nuyens, Frascati Producties. Gezien: 7/12, Frascati. Tournee t/m 6/2. Inl.: frascatitheater.nl


Theatermaker Anoek Nuyens heeft het gevoel dat ze een beetje uit de tijd loopt. Ze verlangt terug naar de tijd dat politiek ertoe deed, de mensen daar echt nog in geloofden. En waar kun je dat geloof beter terughalen dan bij oud-politicus Jan Pronk?

Nuyens mocht op een hoop ‘verbijsterde emojis’ rekenen toen ze haar plannen voor deze voorstelling op sociale media aankondigde. Een voorstelling over Jan Pronk? ‘Die oude, witte PvdA-coryfee?’ De meningen over de oud-politicus zijn verdeeld. Het linkse geweten van de sociaaldemocratie, vindt de een. ‘Je weet wel, die stroming die nu totaal op z’n gat ligt.’ Maar de ander vindt hem een streber, een betweter.

Pronk (in eindregie van Erik Whien) is een zeer sober geënsceneerde toneelavond. Nuyens komt tijdens het kleine uur dat de voorstelling duurt niet van haar plaats. Ze staat in het midden van een verhoogd podiumpje (een scenografie van Julian Maiwald), voor een volledig met rode posters behangen campagnebord, onder een grote lichtbak. Dat licht verglijdt naar gelang Nuyens’ verhaal van kil naar warmer en weer terug.

Rode draad zijn verschillende gesprekken die Nuyens de laatste jaren met Pronk voerde. Ze neemt het publiek via de archieven en het geheugen van Pronk mee terug naar de opkomst van de sociaaldemocratie ­– van de tien lessen van Joop den Uyl (‘lees gedichten!’), tot aan het manifest van Willem Vliegen uit 1894 bij de oprichting van de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij.

Haar verhaal is helder, licht meanderend, maar geen moment echt spannend. De gesprekken met Pronk brengen haar (en daarmee ons) niet uit evenwicht – net zomin als dat Nuyens een serieuze poging onderneemt Pronk uit evenwicht te brengen – hooguit roepen ze nieuwe vragen op. Pronk is zo eerder een aangenaam, bij vlagen geestig relaas, dan een interessante of ontregelende denkexercitie.

Ook als Nuyens onder lichte dwang van Pronk in een kerk belandt waar al weken een dienst bezig is om een Armeense familie van uitzetting te behoeden, bevraagt ze haar eigen geprivilegieerde positie per saldo maar nauwelijks. Wat al te snel leidt ze zichzelf naar de slotsom van de voorstelling, een algemene – en weinig verrassende – oproep tot herwaardering van de sociaaldemocratie.

Uiteindelijk staat Nuyens dan niet meer zelf in het licht, maar wij, het publiek. Het gaat niet om diegene op het podium, niet om politiek Den Haag, maar om het volk, in verbondenheid. Het is aan ons, en aan onze schouders. Die hebben alles in zich om anderen te dragen. De motieven die schuilgaan achter haar sentiment zijn te waarderen, maar tegelijkertijd is het wel een erg weinig verheffende uitkomst.