De vierdejaars acteurs van de HKU gaan vanavond niet op. Als gevolg van de coronamaatregelen is de première van hun afstudeervoorstelling Woed of Maanzin uitgesteld. In plaats van recensies te publiceren, laat Theaterkrant de komende weken dagelijks een theatermaker aan het woord die op die dag in première zou gaan. ‘Ik studeer af, het is de bedoeling dat mensen mij nu op het podium gaan zien.’

De eerste afstudeervoorstelling van de vierdejaars acteurs van de Hogeschool voor de Kunsten Utrecht werd gemaakt in samenwerking met de Veenfabriek. Paul Koek regisseerde, het zou zijn laatste voorstelling als artistiek leider bij de Veenfabriek zijn.

Ze werkten bij dit project samen met de jeugdzorg. Wat doet jongeren ertoe besluiten om te stoppen met school of uit huis te gaan? En breder gesteld: hoe kun je ontsnappen aan een systeem? Durf je een vraag te stellen, ook als de consequenties daarvan niet leuk zijn? Het moest uiteindelijk een muzikale collagevoorstelling worden, vertellen klasgenoten Barend van Daal en Rosita Segers.

Barend: ‘Ik kan me voorstellen dat we uiteindelijk tot een soort kernmateriaal waren gekomen, waarbij we dan per avond konden kijken hoe we dat vormgeven. Zoals bij een partituur, waarbinnen er altijd ruimte blijft om te zoeken: welk tempo gebruiken we deze keer, doen we deze scène vanavond in mineur of in majeur?’

Ze repeteerden in Leiden bij de Veenfabriek. Barend: ‘Die ruimte stond vol met instrumenten die wij ook niet begrepen. Bijvoorbeeld een soort kast met daaraan een grote toeter waarbij je aan een hendel moet draaien en dan komt er een heel lelijk geluid uit – een intona heet dat. Maar Paul benadrukte steeds dat alles muziek is: óók een auto die voorbijrijdt, óók als je per ongeluk tegen je koffiekopje tikt.

Dat was voor mij een nieuwe manier van naar tekst en theater kijken. Ik herinner me nog dat Paul aan het begin van het proces iemand een tekst liet doen, en hij naderhand het ritme waarin er werd gesproken helemaal na ging tikken. Dat illustreert mooi de manier waarop hij kijkt en luistert.’

Ze zijn vertrokken vanuit het gedachtengoed van het existentialisme en het absurdisme, vertelt hij. ‘Alles is zinloos, maar daar hoef je niet somber van te worden. Zo hebben we heel veel dingen gedaan die aanvankelijk heel onzinnig leken: we zijn bijvoorbeeld een half uur lang gaan improviseren met instrumenten die we helemaal niet beheersten. Totdat je op een gegeven moment aan het idee van wat jij denkt wat muziek is, ontstijgt.’ Rosita: ‘Ik dacht vroeger altijd: hoe minder je wordt opgelegd, hoe vrijer je kan zijn. Maar – en dat merk ik nu ook met alle maatregelen die door corona zijn opgelegd – door beperkingen kan je ook juist een heel sterk gevoel van vrijheid ervaren. Dat geldt ook voor acteren: op het moment dat alles mogelijk is, kan dat juist tegen je werken.’

Met haar klasgenoot Sharlee Daantje maakte ze bijvoorbeeld een scène over twee broers in een heel arm milieu, die elkaar voortdurend het leven zuur maken. ‘Maar die scène liep een beetje stroef. Toen vonden we op de zolder van de Veenfabriek twee enorm onhandige, dikke varkenspakken. We dachten: laten we die gewoon aantrekken tijdens de scène, dat is op zijn minst alvast iets leuker voor onszelf. Dus we deden die scène half rollend over elkaar heen, en het was echt de allerlelijkste scène ooit, maar tegelijkertijd zo bevrijdend om te doen. De volgende dag – misschien omdat we met zo veel plezier hadden gespeeld en schijt eraan hadden – werd het ineens echt heel mooi en raakte de scène juist heel erg.’

Halverwege de repetities, met nog zo’n drie weken te gaan, werd het proces ruw onderbroken. Barend: ‘Na de persconferentie drongen de consequenties niet meteen helemaal door. We zijn zelfs eerst nog even doorgegaan met repeteren. Pas de volgende dag werd langzaam duidelijk dat het niet meer ging gebeuren.’

De repetities werden stilgelegd en de meeste lessen worden inmiddels online aangeboden. Als klas hebben ze nog wel contact over de voorstelling. Rosita: ‘We hebben afgesproken dat we zelf thuis materiaal blijven maken, blijven doorleren en we misschien op een gegeven moment half improviserend gewoon alles gaan spelen.’ Barend: ‘We hebben natuurlijk al veel scènes ontwikkeld en er liggen nog heel veel ideeën. We hebben allemaal al een beeld van wat de voorstelling had moeten worden. Al zal dat beeld bij iedereen totaal anders zijn.’

Rosita: ‘Je ziet elk jaar de afstudeervoorstellingen van de klassen boven je, dus je leeft er heel erg naartoe om daar dan zelf te staan.’ Dat ervaart ook Barend: ‘Ik studeer af, het is de bedoeling dat ik nu voorstellingen ga spelen, dat mensen mij gaan zien op het podium. Ik kan daar somber van worden en boos, maar aan de andere kant: het is wat het is, dus we gaan gewoon een andere manier zoeken om het werkveld te betreden.’