Een van de belangrijkste realisaties van toneelschrijver Don Duyns is dat die anderhalve meter niet alleen maar over afstand hoeft te gaan. ‘Je kan nu ook anderhalve meter de diepte in.’ In een serie korte gesprekken blikt Theaterkrant vooruit op het anderhalvemetertheater.

Het werd Don Duyns de afgelopen maanden weer eens expliciet duidelijk hoe afhankelijk je als toneelschrijver bent van opdrachtgevers. ‘Toneelgroep Oostpool en Het Zuidelijk Toneel geven wel kleine opdrachtjes, maar ik had echt op meer gehoopt. En dan gaat het niet alleen om het geld, maar ook om het feit dat er om je gevraagd wordt, dat je kan laten zien hoe je je voelt bij de situatie en welke dramatische vorm je daar aan kan geven.

Naar aanleiding van de beperkende coronamaatregelen – de anderhalve meter afstand, het gelimiteerd publiek – kun je ervoor kiezen een project uit te stellen of te annuleren, maar je kan je ook opnieuw proberen te verhouden tot de voorwaarden waarin een stuk gespeeld moet worden. Duyns: ‘Het is een uitgelezen mogelijkheid om allerlei kleine dingetjes te doen die normaal bijvoorbeeld op festivals staan. Dat kan op allerlei manieren: via je telefoon, als wandelvoorstelling of hele kleine producties. Vooral de kleinere initiatieven tonen nu toch wat meer lef en ondernemerszin.’

Precies die ondernemerszin mist Duyns nu bij bijvoorbeeld ITA, vertelt hij. ‘In ieder geval naar de toneelschrijver toe. Het zou toch spannend zijn om moderne toneelschrijvers op deze tijd te laten reflecteren. In die zin beschouw ik de Decamerone die ITA nu maakt, absoluut als een gemiste kans. Dit was een heel mooie tijd geweest om nieuwe dingen te creëren, in plaats van oude verhalen na te vertellen.’

Hoe zou het theater er in de anderhalvemetersamenleving dan concreet uit kunnen zien, en wat kunnen de consequenties zijn op de toneelschrijfpraktijk? ‘Een cafésetting zou nu bijvoorbeeld heel goed werken. Ik denk al snel aan een soort varieté – zoals ik heb gedaan met Mijn opa, de artiest over het goochelbestaan van mijn opa. Je gaat dan als schrijver meer in nummers denken, in acts. Ik herinner me nog de voorstelling Hiroshima Mon Amour van Productiehuis Zeelandia. Daarbij was het speelvlak het wad. Je krijgt volgens mij al snel een vorm van locatietheater, of een soort theatrale installatie.’

‘Aan de andere kant: als je een steengoede scène schrijft, dan kan dat ook op anderhalve meter afstand nog steeds heel intens zijn. Ik geloof absoluut niet dat mensen op anderhalve meter afstand zich niet meer met elkaar verbonden kunnen voelen. Dat geldt zowel voor toeschouwers als spelers. Er gaat straks ook gevoetbald worden zonder slidings en spugen, dan kunnen we ook theater maken zonder contact. Ik hield er als regisseur sowieso van om afstand te houden: gewoon vier stoelen met daarop vier acteurs.’

‘Die anderhalve meter hoeft niet alleen maar over afstand te gaan. Je kan nu ook anderhalve meter de diepte in. Jezelf vernieuwen, opnieuw zoeken naar de essentie. Dat lijkt mij voor schrijvers een spannende uitdaging.’

Aan een vorm van zelfbezinning is de sector wat hem betreft sowieso wel toe. ‘Je voelt toch dat er met twintig premières in de week een soort op hol geslagen maakmachine tot stilstand is gekomen. Idealiter gebruiken we deze tijd om nieuwe vormen uit te proberen. Het zou te gek zijn om voorstellingen te maken die vertrekken vanuit de scenografie, de kostuums of de taal.

Er zijn retegoeie toneelschrijvers in Nederland, dat is nu echt anders dan dertig jaar geleden. Ik zou zeggen: gebruik ze! Er valt zoveel te zeggen nu en dat hoeft echt niet letterlijk over corona te gaan. De wereld gaat door een toneelschrijver heen, al die taal- en denkconstructies van nu, dat gaat de teksten van mensen als Rik van den Bos, Esther Duysker, Jibbe Willems, Ko van den Bosch en vele anderen geheid beïnvloeden. Hoe? Dat gaan we zien. Al sinds Shakespeare en Sophocles schrijven we over de pest, over isolement, over liefde, over verlangen, over hoop tegen de klippen op. Laat ons dat nu ook doen.’