Is er een theatersetting te bedenken die zo gemaakt is dat het coronavirus zich niet kan verspreiden onder het publiek, maar waar je wel de intimiteit van een vlakkevloerzaal hebt? Dat vroegen lichtontwerper Gé Wegman, regisseur en producent Albert van Andel en decorontwerper Sacha Zwiers (samen: GAStheater) zich de afgelopen maanden af. In een serie korte gesprekken blikt Theaterkrant vooruit op mogelijke scenario’s voor het anderhalvemetertheater.

Ze ontwierpen een voorstel voor een vlakkevloersetting speciaal voor in coronatijden, dat bovendien op langere termijn winstgevend zou kunnen zijn. Het plan doet qua publieksopstelling denken aan het Globe Theater, waarin de eerste opvoeringen van de stukken van Shakespeare plaatsvonden. Albert van Andel: ‘We wilden in mogelijkheden denken in plaats van in beperkingen. We werden ongelukkig van die foto’s die opdoken van theaterzalen waar dan een plukje personeel verspreid op de stoelen zat. Je mist die intimiteit. En we dachten: dat is verkeerd om gedacht. Als theaterdirecteur vertrek je natuurlijk vanuit het bestaande vastgoed, maar als maker kun je vertrekken vanuit de voorstelling.’

Door opslagcontainers in een halve cirkel te stapelen, met een muur van gebruikte zeecontainers als achterwand, kun je een intieme theatersetting realiseren op een vlak van dertig bij dertig meter. De tribune bestaat dan uit acht ‘torens’ van steeds drie opgestapelde opslagcontainers. Elke container kan worden opgedeeld in twee compartimenten, waardoor er als het ware twee ‘loges’ ontstaan voor twee volwassenen of een gezin van maximaal vier personen.

Op die manier kun ten minste 96 volwassenen (en 192 toeschouwers als in elk compartiment een gezin van vier plaatsneemt) kwijt. Bovendien zit je nooit ver van de speelvloer af. Van Andel: ‘Het is vergelijkbaar met het midden van de tribune in een kleine zaal.’ In de vrije middenruimte voor de speelvloer kunnen eventueel nog banken komen te staan, die ruimte kunnen bieden aan nog eens veertien personen. Een rij van opgestapelde containers vormt ten slotte de achterwand van de speelvloer.

(Tekst gaat verder onder de afbeelding.)

Hoe ziet een theaterbezoek er vervolgens concreet uit? Elke toren van opslagcontainers heeft zijn eigen opgang, die dus door maximaal 24 personen gebruikt zal worden. Van Andel: ‘In mijn ideaalbeeld hebben we eigen horeca. Je hebt gereserveerd en vooraf een maaltijd besteld, dus dan kom je rond kwart over zeven op de locatie aan. Als het nodig is staat op je kaartje een tijdslot, maar in een grote loods zijn de stromen met acht opgangen goed te controleren. Je wordt naar je eigen loge geleid, en daar staat alvast een drankje klaar en wat brood. Later komt het hoofdgerecht en tegen de tijd dat de koffie wordt gereserveerd begint de voorstelling.’

De bedoeling is om het theater een semipermanente plek te geven op een (liefst overdekte) locatie waar producties steeds minimaal een week te zien zijn – ook om het menselijk verkeer tijdens bouwen en breken zoveel mogelijk in te dammen. Van Andel: ‘Een leegstaande loods zou het meest ideaal zijn. Het is een meter of zes hoog, dat is voor een gemiddelde loods niet extreem veel. En dan staat het bovendien droog, heb je geen wind en kun je het verduisteren, wat prettig is qua theatrale mogelijkheden. Bereikbaarheid is wel belangrijk. Dus bijvoorbeeld ergens op de NDSM-werf in Amsterdam.’

‘Als het negen tot tien weken staat kun je uit de kosten zijn. Ik zou me voor kunnen stellen dat sommige theaters hun eigen vastgoed dichtgooien en het gaan gebruiken als tijdelijke venue.’

Behalve de locatie is de huidige regelgeving op dit moment nog een heikel punt. Momenteel wordt er gekeken naar een manier om dit juridisch mogelijk te maken, want door het verbod op vergunningplichtige evenementen is dit plan op dit moment niet uitvoerbaar. ‘Er moet een gemeente zijn die zegt: wij gaan dit doen. Dus dit is meteen een oproep: heb je een locatie, of wil je op een andere manier helpen? Kom maar door.’ 

Tekening: Sacha Zwiers, model: Eva ten Velden en Albert van Andel)