Allerlei praktische en logistieke omstandigheden hebben ineens een grote artistieke weerslag, zegt regisseur Paul Knieriem als hij vertelt over theatermaken binnen de coronamaatregelen. Bij de Toneelmakerij en Theater de Krakeling maakte hij de school(plein)voorstelling Ik zag twee beren, die in juni en juli aan Amsterdamse scholen wordt aangeboden. In een serie korte gesprekken blikt Theaterkrant vooruit op mogelijke scenario’s voor theater in de anderhalvemetersamenleving.

Voor Paul Knieriem is het in de kern heel eenvoudig: ‘Als kinderen en jongeren niet naar het theater mogen komen, komen wij naar de scholen.’ Samen met acteurs Abdelkarim el Baz en Rogier in ’t Hout werkte hij de afgelopen vier weken aan de achtplusvoorstelling Ik zag twee beren – gebaseerd op alle beren die de afgelopen maanden voor de ramen stonden en die met het openen van de scholen ineens alleen werden gelaten.

De voorstelling is ‘coronaproof’, dus met anderhalve meter afstand tussen de acteurs en het schoolplein dat als speelvloer fungeert. ‘Het voelt alsof je back to basic moet gaan: je maakt straattheater-achtige voorstellingen van een half uurtje, met twee acteurs die elkaar niet mogen aanraken.’

Praktische keuzes, die voortkomen uit de maatregelen vanuit het RIVM, hebben nu een grote artistieke weerslag. ‘De omstandigheden hebben meteen consequenties op de voorstelling. Je werkt op grote afstand en in de buitenlucht, dus je kan niet al te subtiel zijn in wat je communiceert. Het conflict moet vanaf het eerste moment kraakhelder zijn, je moet meteen weten wat er aan de hand is. We hebben er wat muziekjes onder geplaatst – roder dan rood kun je de rozen haast niet verven, maar dat sorteert wel de effectiviteit die je nodig hebt op die afstand.’

Op deze manier theater maken vraagt om een bepaalde artistieke en logistieke flexibiliteit. ‘Als het regent delen we parapluutjes en poncho’s uit. Er is geen tribune, de scholen bepalen zelf hoe de kinderen op het plein worden neergezet. We spelen de voorstelling voor twintig tot tweehonderd kinderen, het is aan de scholen hoe ze daarmee omgaan. Het is zelfs mogelijk dat de kinderen op het plein zitten en de spelers achter het hek op de openbare weg de voorstelling spelen.’

‘Je wordt gedwongen om een soort kermistoneel te maken, en dat geeft ook weer veel energie. In het jeugdtheater zijn we inmiddels in een systeem beland waarin je twee jaar op voorhand concept, publiciteitstekst, cast en promotiemateriaal moet presenteren – wat natuurlijk absurd is – en dit hebben we nu in vier weken bedacht, geschreven en gemaakt. Dat dat nu kan is heel verfrissend. Tegelijkertijd wil ik hier geen juichend geluid à la Eric de Vroedt verkondigen, want het is ook een heel ingewikkelde tijd, waarin ik pijnlijke gesprekken moet voeren over komend seizoen.’

‘Je gaat ook nadenken over het systeem en de structuur waarin je zit. Bij de Toneelmakerij zijn ongeveer vijftien mensen in vaste dienst, en daarbij zit geen enkele acteur of ontwerper. Terwijl dat uiteindelijk de mensen zijn die het werk maken. Daar zit een rare kronkel in. Ik gun alle mensen van kantoor een vaste baan, maar het zijn de decor- en kostuumontwerpers, de schrijvers en de acteurs die straks de prijs van de crisis gaan betalen.’

Wat is er voor de komende periode nodig om het theater overeind te houden? ‘Ik denk dat we allereerst keihard moeten lobbyen om acteren als contactberoep aan te merken. Daarin zit nu echt een enorm probleem: dat bepaalt je repertoirekeuze en met hoeveel spelers je kan werken.’

‘En verder? Ik weet het niet. Ik vrees toch dat het een beetje pappen en nathouden blijft, zolang er geen vaccin is. Er zullen uiteraard innovatieve concepten komen, het werk van de ene maker leent zich beter voor deze omstandigheden dan de ander. Bij makers als Dries Verhoeven, Boukje Schweigman en Boogaerdt&VanderSchoot zit het nadenken over het publiek al veel meer in de inhoud van het werk ingebed.’

Het staat of valt nu volgens Knieriem met de samenwerking tussen gezelschappen en theaters. ‘Je kan niet tegen een theatergezelschap zeggen: jullie zijn welkom, maar voor de helft van de uitkoopsom en het moet coronaproof zijn. Ik hoop dat theaters concreet aan kunnen geven waar ze behoefte aan hebben, wat hun beleid gaat zijn en welke risico’s ze willen nemen. Er is behoefte aan een gezamenlijk gesprek, en vooral aan openheid. Op het moment dat een theater zegt dat dit niet rendabel voor ze is, ze de deuren sluiten en pas weer openen als dat kan, dan is dat ook iets waartoe je je kan verhouden.’


Ik zag twee beren (8+) van de Toneelmakerij en Theater De Krakeling wordt in juni en juli gratis aangeboden aan Amsterdamse scholen. Kijk hier voor meer informatie.