Wat het theater bij uitstek in deze tijd kan bijdragen, is de expertise om niet in oplossingen te denken, maar juist productieve vragen te stellen. Theaterkrant ging met drie leden van Platform-Scenography in gesprek over theater en scenografie in de anderhalvemetersamenleving.

Hoe kan de scenografie handvatten of richtingen bieden in een samenleving waar anderhalve meter afstand de norm is? Scenograaf Anne Karin ten Bosch, dramaturg, schrijver en docent Liesbeth Groot Nibbelink en scenograaf Sanne Leufkens – alle drie onderdeel van het netwerk Platform-Scenography – zoeken in een virtueel rondetafelgesprek naar blikrichtingen, niet naar uitkomsten. Platform-Scenography onderzoekt, faciliteert en stimuleert de wisselwerking tussen scenografie en reflectie.

Want hoe kun je als scenograaf reageren op deze tijd, op de anderhalvemetersamenleving? Groot Nibbelink: ‘De anderhalve meter lijkt nu te worden gepresenteerd als een oplossing. Alsof corona een probleem is dat je kan terugbrengen tot die ene maat.’ Leufkens: ‘Met Platform-Scenography hebben we het er vaak over dat scenografen of ontwerpers niet per se met oplossingen voor problemen hoeven te komen, maar dat ze met hun ontwerpen juist het probleem zelf nader onder de loep kunnen nemen, en zo een nieuwe invalshoek of opening kunnen bieden.’

Ten Bosch sluit zich daarbij aan. ‘Ik vind de vragen die deze beperkingen oproepen veel interessanter dan veel van de opgeworpen oplossingen. Ik heb zelf sterk de behoefte om dit te benaderen als guerrilla, in plaats van me volgzaam op te stellen.’

‘Ik verbaas me over de bereidheid om direct naar oplossingen op zoek te gaan, ogenschijnlijk zonder de vragen te stellen. En dat resulteert in allerlei dingen: van aangepast menselijk gedrag, het anders inrichten van ruimtes, het dragen van maskers – tot voor kort heette dat nog “problematische gezichtsbedekking” – tot aan de samenstelling van het afval. Hoe gaat de omgeving eruitzien als iedereen dagelijks tientallen doekjes weggooit en rubberen handschoenen gaat gebruiken? Wat zijn de consequenties voor de fysieke omgeving en zijn we bereid na te denken over de vraag waarom we dat doen, of we dat wel willen?’

‘Ik betrap me op het verlangen om de pandemie ook te gebruiken om opnieuw te kunnen denken over de inrichting van m’n leven, onze leefwereld en de systemen waar we ons meestal heel onbewust naar “voegen”. Het anderhalvemeterontwerpen lijkt er vaak vooral op gericht te zijn “het oude systeem” overeind te houden. Maar het kan natuurlijk ook interessant zijn om te onderzoeken wat mogelijk wordt door die bizarre regels of om juist de absurditeit ervan zichtbaar maken. Hoe kunnen we uit die reflex blijven om snelle oplossingen te genereren? Dat is wat we met onze theaterachtergrond kunnen meebrengen.’

Neem het sterven, stelt ze. Iets waar we de laatste maanden allemaal mee geconfronteerd zijn en wat het theater volgens haar nu bij uitstek zou kunnen bevragen: hoe om te gaan met de dood? ‘Het theater heeft tenslotte een hele goed band met de dood. Want wat sterven we veel in het theater. Niet alleen personages, maar ook een voorstelling die eindigt is een vorm van sterven, doven, uitgaan. Wij bezitten mogelijk expertise in het denken over sterven en “tot leven brengen”. Kunnen we de samenleving daar iets in bieden? Ik zou willen dat we beter leren sterven, meer in vrijheid.’

Groot Nibbelink is gefascineerd door de transformatie die naar aanleiding van corona in de publieke ruimte plaatsvindt. ‘Je ziet ineens dat er heel veel ruimtes zijn die je kan hergebruiken of herwaarderen voor theater: bijvoorbeeld concerten op balkons of het potten- en pannenprotest in Brazilië.’ Daar kunnen we volgens haar nog verder op doordenken, rigoureuzer in worden. ‘Als er geen grote evenementen kunnen plaatsvinden, kunnen we die ruimtes daarvoor dan niet gebruiken voor theaterzalen van negenhonderd mensen? En kunnen we dan die theaterzalen met een capaciteit van negenhonderd, niet gebruiken voor colleges van groepen van honderdvijftig studenten? En kunnen we die collegezalen niet weer ergens anders voor gebruiken?’

De anderhalve meter afstand heeft bovendien consequenties voor de dynamiek in die publieke ruimte, zegt Ten Bosch: ‘Ik onderga nu dagelijks en heel fysiek hoe regelgeving letterlijk vorm-geeft aan de publieke ruimte, zowel materieel als in gedrag. Denk aan de lange rijen opgesteld langs “ladders” op de stoep, maar ook in hoe we bewegen en om elkaar heen “dansen”. Voor corona waren we ons er nauwelijks bewust van. Hoe bewegen we ons op straat, hoe rigide is die afstand? Er ontstaan nieuwe scheidslijnen tussen mensen die de anderhalve meter in acht nemen en zij die dat niet doen – een nieuwe manier van bewegen. Die scheiding gaat dwars door standen, rangen en opleidingsniveau heen. Vijftig procent schikt zich naar die anderhalvemeterchoreografie, en vijftig procent verstoort haar.’

Ook de vele digitale omgevingen waarin we ons sinds het thuiswerken begeven, hebben consequenties op hoe we onszelf in de ruimte evaren. Leufkens: ‘Net als veel mensen zit ik nu bijvoorbeeld veel op Zoom. Waardoor ik om te beginnen mezelf de hele dag zie. Ook buitenshuis, weerspiegeld in alle plexiglas platen. Je ontkomt bijna niet meer aan jezelf als je met iemand anders in gesprek bent. Daardoor vindt er een heel andere wisselwerking tussen, soms gelijktijdig, toeschouwer en performer zijn plaats. Het gele kader op Zoom bepaalt wanneer ik toeschouwer ben of performer.’

Groot Nibbelink: ‘We worden voortdurend geconfronteerd met zichtbare rolwisselingen. En natuurlijk zijn we steeds bezig met het gezien worden: waar zet ik mijn camera, hoeveel rommel sta ik toe in beeld? Zelfenscenering is aanweziger dan ooit.’ Leufkens: ‘Wat weer leidt tot de vraag: wat is theater? Samen op één plek aanwezig zijn, of het bewustzijn dat iets is geënsceneerd? Ik ben nu met een werk bezig met allemaal theedoeken die zich in allerlei huizen verspreiden. Daar ben ik zelf dus niet bij. Het is iets waarvan je niet weet wanneer en door wie het wordt ervaren, maar waarvan je wel weet dát het gebeurt.’

Volgens Ten Bosch zouden de grote, gesubsidieerde gezelschappen nu veel baat hebben bij de expertise van jonge, autonomer werkende theatermakers. ‘Veel gezelschappen gaan nu noodgedwongen kleinschaliger werken. En die doen dat ogenschijnlijk helemaal losgezongen van een kwalitatieve, sterke traditie in Nederland van makers die al heel lang op deze manier werken. Makers als Dries Verhoeven, Boukje Schweigman, Theun Mosk, de makers van SoAP, Marte Boneschansker, Bart van de Woestijne, makers die op Festival Cement, Oerol of Beyond the Black Box te zien zijn. Er zijn generaties theatermakers die vormen hebben onderzocht en ontwikkeld waar we nu veel mee kunnen. Gaan de relatief grotere gezelschappen – alleen omdat het nu moet – dit ineens zelf zitten “uitvinden”? Kunnen ze die mensen die daar al twintig jaar ervaring mee hebben niet uitnodigen?’

Groot Nibbelink: ‘Het is uiteindelijk de uitdaging om al die nieuwe vormen niet te ontwikkelen vanuit de beperkingen die zijn opgelegd, maar vanuit de vraag: wat wil je maken en wat is een goede manier en vorm om dat in deze tijd te doen?’

Foto: Sanne Leufkens


www.platform-scenography.nl