Een man kruipt uit een gat in de modderige aarde naar boven, kijkt schichtig om zich heen, haalt een stukje verderop een gaspitje en een fluitketeltje uit de aarde tevoorschijn en zet water op. Hij is een verschoppeling wiens verfomfaaide nette pak een vorig leven vol structuur en financieel succes doet vermoeden. Nu probeert hij op te gaan in de bomen, de aarde en het water.

Revolutie van een eenling is een korte solovoorstelling van mimetheatermaker Ivar Schutte en een van de twee premières tijdens de derde editie van het Boslab Theaterfestival. Vanaf het grote podium – dat nu dienstdoet als festivalhart – leiden vijf looproutes het publiek langs verschillende korte voorstellingen van jonge theatermakers. Per avond zie je zo maximaal vier van de in totaal zeven voorstellingen die coronaproof op het festival geprogrammeerd staan.

In Revolutie van een eenling zien we een man die zijn nieuwe habitat verkent. We zien hem eten, de omgeving aftasten en uittesten, zijn lusten en verlangens botvieren. Hij lijkt zich steeds meer aan te passen, beweegt zich steeds dierlijker. Schutte legt spannend en meerduidig bewegingsmateriaal aan de dag – dat vele malen interessanter en veelzeggender is dan de flarden filosofische, abstracte teksten die hij af en toe oprakelt en die meteen vervliegen. Uiteindelijk gaat hij op in het bos – ons met het vermoeden achterlatend dat deze bossen wellicht nog wel meer millennials herbergen die aan de huidige tijd ten onder dreigden te gaan.

Voorts trappen we in een lange rij waterfietsen over de grote vijver naar de tweede première van Boslab Theaterfestival. Ik hoop op zegen, de eerste voorstelling van Collectief Blauwdruk (Romijn Scholten, Tijn Panis en Bram Walter), in eindregie van Matthijs IJgosse, speelt zich af op het water. We schrijven 2120, de veertien meter hoge dijken rondom Amsterdam houden het niet meer en de stad moet worden geëvacueerd. Een deel van het publiek beleeft de voorstelling vanaf het water, een deel kijkt vanaf een brug.

Scholten, Panis en Walter studeerden dit jaar af aan de ArtEZ Toneelschool, en verrassen met een uitbundige, schaamteloze en tegelijkertijd integere bewerking van Joost van den Vondels Gijsbrecht van Aemstel, dat ze hertaalden tot een post-apocalyptisch drama op en rondom een drijvend vlot.

Daarbij valt allereerst de vorm op. Ze maakten een ritmische dialoog (volledig op rijm!) waarvoor ze een futuristisch idioom construeerden dat is opgebouwd uit woorden en zinsconstructies die uit het Nederlands, Engels, Frans en Duits ontsproten zijn. Resultaat is een vervreemdende maar geloofwaardige toekomsttaal, die het gevolg lijkt van almaar toenemende globalisering en internationalisering. De setting in het water wordt met leuke vondsten uitgebuit – tot aan het kopje-onder-slotapplaus – en het smeuïge, barokke spel van deze drie aimabele jonge spelers sorteert geregeld de nodige hilariteit.

Maar voorbij de aanstekelijke vorm tekent zich een interessant engagement uit: in hoeverre bepaalt je afkomst je identiteit, en hoe definitief is die? Hoe verhouden opofferingsgezindheid en zelfredzaamheid zich tot elkaar? Als de personages, dobberend op de drijvende resten van hun geprivilegieerde beschaving, een helpende hand krijgen toegereikt, weigert Gijsbrecht die aan te nemen. Hij wil zijn volk niet in de steek laten. Of is hij te trots om de hulp van Duitsland aan te nemen, weigert hij los te komen van de geschiedenis? Als hij tot zijn middel in het water tevergeefs staat te hozen, vraag je je af wanneer iemand een held is, of een stugge idioot zonder enige realiteitszin.