Iedereen heeft zijn voorkeursstad als het gaat om de Parade. Ikzelf pleit bijvoorbeeld al jaren voor Utrecht: kleinschaliger dan Amsterdam, sfeervoller dan Rotterdam, ongeregelder dan Den Haag. Voor theaterjournalist Hein Janssen (de Volkskrant) was Amsterdam jarenlang zijn favoriete Paradestad. Maar sinds een paar jaar is dat Den Haag geworden, vanwege ligging, rust en aanbod. ‘Bovendien kent Den Haag een goede mix van oud en jong en kleurrijk publiek’, schrijft Janssen in de jubileumuitgave 30 jaar Parade.

Dertig jaar bestaat de Parade dit jaar, maar in plaats van een feestelijke jubileumeditie moeten we het dit jaar vanwege corona helaas doen met een aantal kleinschalige, losse edities, onder de noemer De Parade Gaat Door – onder andere in Paradiso Amsterdam (vanaf vandaag tot en met 16 augustus, dagelijks twee programma’s) en het Parktheater Eindhoven (4 tot en met 6 september).

Daarnaast is er dus een speciaal, ruim honderd pagina’s tellend magazine uitgebracht ter ere van het dertigjarig jubileum, waarin theatermakers, medewerkers en bezoekers in een kleurrijke, uitwaaierende verzameling interviews, reportages en verhalen proberen ‘het DNA van de Parade’ te ontcijferen. Het levert een enthousiaste verzameling aan persoonlijke verhalen op vanuit uiteenlopende perspectieven. De artikelen zijn geschreven voor de corona-uitbraak en de daaruit voortgekomen afgelasting van deze editie; daar wordt dan ook niet op gereflecteerd.

Het magazine opent met een smakelijk dubbelinterview met oprichter Terts Brinkhoff en huidig directeur Nicole van Vessum, waarin hun verschillende persoonlijkheden, smaken en opvattingen vrolijk tegenover elkaar worden gezet. Zelf vatten ze het verschil tussen hen beiden in het voor hun ongetwijfeld zeer vertrouwde Paradevoorstelling-paradigma samen als ‘een muzikale seksvoorstelling’ (=Brinkhoff) tegenover ‘een mime-voorstelling van net-afgestudeerden’ (=Van Vessum). Dat botst af en toe, en dat bleek nodig.

De Parade bestaat weliswaar dertig jaar, geschiedenis van het rondreizende festival gaat verder terug: die begint in 1979 met Terts Brinkhoffs Traktor Tournee en later – tussen 1984 en 1987 – met het reizende festival Boulevard of Broken Dreams. In 1990 vond de eerste editie van de Parade plaats in Amsterdam en Tilburg. In 2007 nam Van Vessum het stokje over van Brinkhoff – een belangrijk kantelmoment in de geschiedenis van het festival: de Parade professionaliseerde en zocht (meer) artistieke verdieping. Het groeide uit tot een mix van (veel) losbandig vermaak en artistiek experiment.

Is die artistieke mix dan dat kenmerkende DNA dat ze in dit magazine trachten te ontrafelen? Zakelijk leider Raymund van Santen voegt daar, in een kort interview aan toe dat ‘op de Parade alle artiesten gelijk zijn, en hun eigen winkeltje moeten runnen. Zelfs de gevestigde namen moeten regelmatig nog parade maken om mensen binnen te krijgen in hun theatervoorstelling, en ook die hebben dezelfde vriend die ook hun vijand kan worden: de natuur.’

Een ander aspect dat uit de artikelen sterk naar voren komt is de verslavende werking ervan, zowel bij makers, medewerkers en publiek. Eenmaal op de Parade, jarenlang op de Parade – lijkt voor velen te gelden. Dat merkt Ronald Giphart op als hij voor een reportage een dag meedraait met de keukenbrigade van restaurant La Cantine, constateren medewerkers en vrijwilligers in de ‘Backstagesafari’ en blijkt uit Paradecoryfee Annemarie Osters uiteenlopende herinneringen aan het festival. De onderlinge verbondenheid is groot; zowel onder artiesten als backstage wordt vaak gepraat in termen als ‘familie’.

Er is relatief veel ruimte gemaakt voor artikelen over alles wat om het voorstellingsbezoek heen zit: van het hele circus achter de schermen en voor en na openingstijd, tot een aantal culinaire artikelen (inclusief recepten). De uitgave geeft op die manier een mooi beeld van de enorme organisatie en logistiek die achter een bezoekje Parade schuilgaan, iets waar een doorsnee bezoeker ongetwijfeld niet snel stil bij staat.

Voor een profiel over een festival dat zich expliciet profileert als ‘rondreizend’ theaterfestival – en zich daarmee onderscheidt van tentjestheaterfestivals of festivalharten met één vaste standplaats – had ik over het verschil tussen de verschillende steden nog wel meer willen lezen. Wat zijn de artistieke, organisatorische en demografische consequenties van dat reizen? Komt er in elke stad echt ander type publiek? En is dat terug te lezen in zaken als consumptiegedrag, type (en kwantiteit) voorstellingsbezoek en overlastcijfers? Hebben artiesten, koks en snoepmeisjes – net zoals recensenten dat blijkbaar hebben – voorkeurssteden?

30 jaar Parade is een liefdevolle bundel anekdotes waarin het festival volop bejubeld wordt. Het festival wordt onbeschaamd geromantiseerd: ja, er wordt enorm hard gewerkt, maar dat levert vooral veel adrenaline op; ja, een publiek keert zich weleens tegen je, maar dat is alleen maar leerzaam en de keer erop is het publiek weer fantastisch.

Ondanks de titel reflecteert het magazine bovendien veel meer op hoe de Parade er de laatste jaren uitziet, dan dat het de ontwikkeling van de afgelopen dertig jaar schetst – los van enkele bijdragen van bijvoorbeeld Hein Janssen, Annemarie Oster en wat ‘oudgedienden’-medewerkers, die wel lijnen proberen te trekken. De verschillende bijdragen zijn stuk voor stuk vermakelijk, en hier en daar ontroerend, maar blijven ook willekeurig ten opzichte van elkaar en vooral aan de liefdevolle oppervlakte. Als naslagwerk is 30 jaar Parade beduidend minder interessant dan ik had gehoopt.


30 jaar Parade, 113 pagina, bestellen via parade.nl