Theater
Een soort Alaska
door Reinout Bongers, Toneelacademie Maastricht. Gezien: 6/10, Zaal 3, Het Nationale Theater (Den Haag). Inl: zaal3.nl


Ze is omgeven door een hardnekkige, ingedikte duisternis. Een stem komt van dichtbij en ver weg tegelijk. De wereld om haar heen bestaat nog niet, heeft nog geen vorm, maar dringt zich niettemin genadeloos aan haar op. Zo zal het voelen als je na 29 jaar ontwaakt.

Pas na een minuut of tien laat het lichtontwerp (van Bogi Bakker) meer van de ruimte om haar heen toe. De duisternis trekt op, voorzichtig verkent ze de kamer waarin ze zich begeeft, stapje voor stapje. Achter in de hoek zit een jonge man, de arts die haar de injectie gaf waardoor ze wakker werd. Die haar uit die comateuze, maar vredige toestand sleurde, een wereld vol vragen en verwarring in.

Harold Pinter baseerde zijn eenakter Een soort Alaska (1983) op het boek Awakenings van de Britse neuroloog Oliver Sacks (later verfilmd door Penny Marshall), over een mysterieuze epidemie in de jaren twintig van de vorige eeuw, dat een virus veroorzaakte waarvan mensen in een soort slaaptoestand raakten. In de jaren zestig wist Sacks een aantal van hen met een nieuw medicijn te laten ontwaken.

Reinout Bongers is op dit moment afstuderend regisseur aan de Toneelacademie Maastricht. Hij maakte deze voorstelling al in het derde jaar van zijn opleiding maar vermoedelijk vanwege de corona-uitbraak en de parallellen met dit stuk, wordt de voorstelling nu kort hernomen in Zaal 3 van Het Nationale Theater in Den Haag. Hij is niet de enige die in Pinters tekst een sterke link met de actualiteit ontwaarde: Eric de Vroedt bracht deze zomer ook een versie met onder andere Yela de Koning, in het kader van Het Nationale Theater Speelt Altijd.

Bongers koos voor een gedurfd sobere mise-en-scène. Geen verbeelding van de theaterwerkelijkheid, geen bed of ziekenhuiskamer dus, maar een vrijwel volledig gestripte blackbox met daarin alleen een stoel. Dat verbeeldt treffend het gebrek aan houvast waar het personage door overvallen wordt.

Hoe verhouden vreugde, verbijstering en verdriet om verloren jaren zich tot elkaar en je omgeving? Is het mogelijk jezelf na al die jaren terug te vinden, weer samen te vallen met wie je bent en hoe je je voelt? Hoe ga je om met je omgeving, je familieleden die net zo goed getekend zijn maar die in ieder geval de jaren mochten léven, hun eigen aftakeling mochten doorvoelen?

Al dat soort vragen strijden om voorrang in het personage Deborah (gespeeld door Amy Rombout), die op haar zestiende een vaas verplaatste en versteende. De voorstelling begint met die vaas, die kapot valt op de grond en waarvan de scherven – één keer knipperen met je ogen; 29 jaar later – nog steeds om haar heen liggen. Die scherven – die verknipte, uiteengereten verlangens en vragen – vallen samen met dit personage. Niet meer terug te lijmen tot hoe ze ooit was, één geheel, een meisje van zestien.

Deborah is bij uitstek een rol waarin je als toneelspeler het hele register aan emoties kan verkennen. De rol is technisch en gecompliceerd, met veel harde schakels en weinig houvast aan een concreet hier en nu. Amy Rombout speelt haar gretig, ingeleefd en trefzeker.

Dat vastgesteld, had de voorstelling baat gehad bij meer tegenkleur in spelintenties. De emoties bevestigen nu vaak wat de tekst al vertelt, er is nog een groot en veelzeggend spanningsveld te ontginnen aan de discrepantie tussen wat iemand zegt en voelt.

Na de uitgerekte, mooi verstilde openingssequentie volgt bovendien een wat gehaaste afwikkeling. Het lijzige spel van Reno van Rijsewek als Deborahs arts, en haar karikaturaal vormgegeven zus (Guusje te Pas) vormen een vreemd contrast met Deborahs emotionaliteit. Die personages blijven nu nog te oningevuld. Tussen de regels door hadden de onderlinge relaties meer bevraagd kunnen worden. Het lijkt ook een kwestie van tijd nemen te zijn. Er gebeurt eigenlijk meer tussen deze personages in de drie kwartier dat de voorstelling duurt, dan dat nu de ruimte krijgt.