Audio-installatie
Blindness door The Donmar Warehouse. Gezien: 30/10, Koninklijk Theater Carré (Amsterdam). Aldaar t/m 8/11. Inl: carre.nl


Vlak voor het stoplicht weer op groen springt, wordt alles wit. Mensen toeteren, stappen uit hun auto’s. De man kijkt voor zich uit, mompelt: ‘I’ve gone blind. I’ve gone blind.’ In de dystopische roman Stad der blinden (1995) onderzoekt José Saramago de ontwrichtende impact van een epidemie op de samenleving, versterkt door een overheid die haar verantwoordelijkheid laat afweten.

Het duurt niet lang voor deze spontane blindheid zich als een besmettelijke ziekte, als een epidemie, over de stad verspreidt. De eerste patiënten melden zich aanvankelijk bij de oogarts, die zelf ook getroffen wordt door het raadselachtige virus. De enige die, om al even onverklaarbare redenen, gespaard wordt, is zijn vrouw.

Koninklijk Theater Carré opende gisterenmiddag na tweeënhalve week haar deuren voor de audio-installatie Blindness, die afgelopen zomer na ruim vier maanden lockdown als eerste voorstelling op het Londense West End te zien was, in The Donmar Warehouse, in regie van Walter Meierjohann. Blindness is een voorstelling zonder fysieke aanwezigheid van acteurs. Je beleeft de voorstelling met een koptelefoon op.

Dertig toeschouwers nemen plaats op stoeltjes op het podium van het theater, onder een labyrint aan gekleurde tl-lichten (lichtontwerp: Jessica Hung Han Yan), dat doet denken aan een hectisch wegennetwerk in een drukke metropool. We horen geluiden van een altijd door denderend stadsleven, voorbijrazende auto’s, passerende voorbijgangers. Op de muur van het achtertoneel die raadselachtige zinnen uit de proloog van het boek, waar toneelschrijver Simon Stephens zijn bewerking ook mee opent:

if you can see, look
if you can look, observe

Ze verwijzen naar de doktersvrouw, die blindheid veinst om bij haar man te blijven als die onverhoopt als een van de eersten in quarantaine wordt geplaatst in een oude ziekenhuiszaal, waar de patiënten vervolgens genadeloos aan hun lot worden overgelaten. Ze fungeert als gids en geweten in een setting waar ontmenselijking en wreedheden in toenemende mate de overhand nemen.

Juliet Stevenson – aanvankelijk verteller, later in de rol van de doktersvrouw – imponeert, ondanks haar fysieke afwezigheid. Met ingetogen woede, stijgende angst en verbazing, uitdijende wanhoop en gedreven standvastigheid slaat ze de morele teloorgang, waar ze zelf ook niet aan ontkomt, gade. Haar zicht is zowel haar redding als haar vloek. Met alleen haar stem als instrument, onderzoekt Stevenson het hele spectrum aan menselijke emoties in prachtig ingehouden, en dan onverwacht uitzinnig en vilein spel.

Op sommige momenten flikkert het licht aan en zie je voor een kort moment de andere toeschouwers en de ruimte waarin we ons bevinden (waarbij scenograaf Lizzie Clachan met een aantal inventieve, overrompelend mooie ingrepen slim gebruikt maakt van de omgeving). Maar het grootste gedeelte van de voorstelling bekijk je in hermetische duisternis. In die duisternis komt het driedimensionale geluidsdecor van Ben en Max Ringham angstvallig dichtbij, uiteraard geholpen door die ingeleefde adaptatie van Stevenson: dan fluistert de doktersvrouw iets in je linkeroor, dan rent ze naar de rechterhoek van de ziekenzaal en weer terug. Het is overweldigend hoeveel ruimtelijkheid er op die manier wordt aangebracht, hoe indringend dichtbij Stevenson op momenten komt. Gehuld in duisternis is het op die manier werkelijk moeilijk voor te stellen dat Stevenson niet over het podium van Carré raast.

Blindness is tegelijkertijd desoriënterend als verhelderend: als we ons niet organiseren, als de overheid het laat afweten, als we ons zelfrespect verliezen, dan is ons zorgvuldig opgebouwde laagje beschaving verraderlijk dun. We zijn in theorie maar één epidemie verwijderd van een wereld van moreel verval.