Internationaal Theater Amsterdam gaat vanavond niet open. Als gevolg van de coronamaatregelen is de reprise van De stille kracht van het ITA-ensemble deze week geannuleerd. Maar dat betekent overigens niet dat schoonmaker Johnson Addai vandaag thuisblijft.

Want er wordt nog steeds volop gerepeteerd en daardoor zijn er ook enkele medewerkers aanwezig, legt Johnson Addai (1955) van schoonmaakfirma Effektief uit. Dus hij en zijn collega’s worden ook in deze coronatijd gelukkig nog dagelijks ingezet.

Addai is al ruim zeventien jaar een vast gezicht in de Amsterdamse schouwburg. Van zeven uur ’s ochtends tot drie ’s middags zorgen hij en zijn collega’s ervoor dat het hele pand weer schoon is – en dat zes dagen per week. En dat is hard nodig met de 800 toeschouwers die de Grote Zaal kan herbergen, de ruim 550 mensen die in de Rabozaal terecht kunnen, een drukbezochte brasserie, kantoormedewerkers, technici en bespelers die allemaal voortdurend heen en weer door het pand lopen.

Vaak is Addai op zo’n dag de eerste die in het pand aanwezig is: als voorman van de ploeg heeft hij de sleutel van het gebouw en laat hij zijn vier collega’s binnen bij de artiesteningang aan de Marnixstraat. Ze gaan naar hun eigen kantoortje naast de Koninklijke Foyer bij de Grote Zaal, waar hun schoonmaakkarren staan opgeslagen, en gaan aan het werk.

Addai begint beneden met het schoonmaken van de brasserie en de toiletten en gaat vervolgens naar de aangrenzende ticketverkoop. Daarna zijn de twee theaterzalen aan de beurt: ‘We kijken in de computer welke zaal als eerste klaar moet zijn. Soms wordt er in één van de twee zalen ’s ochtends om negen uur al gerepeteerd, dan beginnen we met die zaal. Je moet klaar zijn voordat de zaal in gebruik genomen wordt.’

Tussen de rijen stoelen wordt soms behoorlijk wat achtergelaten, zegt Addai. ‘Het kan heel rommelig zijn, zeker als er de avond ervoor een feestje is gegeven. De publieksservice-medewerkers ruimen op de avond zelf ook nog wel wat op, maar toch blijft er nog veel liggen.’ Ook de kleedkamers kunnen zijn bezoek soms goed gebruiken, voegt hij er vrolijk aan toe.

Wat ook opvalt: als het de vorige avond slecht weer was, wordt het gebouw een stuk viezer. ‘In de herfst en winter zijn we vaak langer bezig met schoonmaken. Mensen nemen dan allerlei troep van buiten mee naar binnen.’

Gedurende de ochtend werken hij en zijn collega’s systematisch de verschillende ruimtes af: van de brasserie beneden, via de zalen, foyers en het trappenhuis, tot de kantoren, studio en kantine op de zevende verdieping van het gebouw. Eén collega stopt om tien uur, twee werken tot elf uur en eentje tot één uur ’s middags. Als voorman moet Addai alles controleren – ‘het is een groot gebouw waar je makkelijk iets vergeet’ – en wat afsluitende werkzaamheden doen, zoals het nalopen van alle containers. Rond drie uur ’s middags is hij klaar.

Of hij zelf een theaterliefhebber is? ‘Ons kantoor zit bij de loges van de Grote Zaal, dus als ik pauze heb ga ik soms even stiekem op het eerste balkon in de Koninklijke Loge zitten, om te kijken naar de repetities. Lekker rustig. Alleen moet je wel oppassen dat je ze niet stoort.’

Vroeger ging hij ’s avonds regelmatig met een aantal collega’s naar het theater. ‘Maar die zijn inmiddels met pensioen. De jongens met wie ik nu werk houden niet zo van theater, dus ik ga helaas niet meer zo vaak.’ Een van de laatste voorstellingen die hij zag was een doorloop van Wie heeft mijn vader vermoord. Zijn bevindingen? ‘Heel mooi!’

Lees hier de andere verhalen van medewerkers van gesloten theaters