Corona heeft relatief weinig impact gehad op het afgelopen jaar van Aluin-oprichter Erik Snel. Hij is vooral druk geweest met het lezen en bewerken van de Ilias, het vuistdikke epos van Homerus. ‘Als je alleen aan het schrijven bent, dan gaat de wereld sowieso een stuk langzamer. Bovendien is dat boek al zo oud, dat relativeert per definitie een hele hoop.’

Terwijl in de aangrenzende studio in Villa Concordia in Utrecht, thuishonk van theatergroep Aluin, de laatste stuiptrekkingen van de Trojaanse Oorlog worden uitgespeeld tijdens de repetities van De wraak van Ifigeneia, blikt Snel terug op dertig jaar Aluin: van de eerste kroegvoorstelling van een drietal ambitieuze theaterstudenten in 1991, tot de première van Don’t f*ck with Artemis in januari 2021 van een gezelschap dat inmiddels ruim driehonderd voorstellingen per jaar brengt. Waarvan het gros overigens niet in theaters te zien is, maar ‘unplugged’: in musea, aula’s of gewoon bij mensen in de woonkamer.

Aluin is dertig jaar geleden min of meer uit nood geboren. Erik Snel was derdejaars student aan de Academie voor Expressie door Woord en Gebaar in Utrecht – de latere theaterfaculteit van de HKU. Hij wilde eigenlijk leren regisseren, maar daar kregen ze geen les in. Dus nam hij, samen met klasgenoten Frank Meijers en Gabby Bakker, het heft in eigen handen. ‘We hadden beschikking over wat lokalen en vooral veel tijd over. Dus toen zijn we dingetjes gaan maken.’

Aanvankelijk bestond Aluin uit drie vaste zekerheden: Erik Snel regisseerde, Frank Meijers regisseerde of speelde, Gabby Bakker speelde. De rest van de klas sloot zich daar zo nu en dan bij aan. ‘We hebben toen tegen elkaar gezegd: we gaan vier jaar proberen om hier betaald werk mee te krijgen. Als dat lukt dan zien we wel of we verder gaan, en anders houdt het na die vier jaar op.’

Hun eerste voorstelling HET was een bewerking van The Beast in the Jungle van Henry James en speelde in theatercafé De Bastaard: een smalle, donkere pijpenla om de hoek bij de academie. Het was een talig en tijdloos stuk over verwachtingen die niet worden ingelost en het verstrijken van de tijd. Daarna volgde een beeldende, hallucinante bewerking van Bret Easton Ellis’ Less than zero – Snel herinnert zich een pak bloem dat over de toneelvloer werd uitgestrooid en vervolgens ‘als een soort uitvergrote cokescène’ met een stofzuiger werd opgezogen. Het stuk werd opgemerkt door theaterregisseur Jan Ritsema. Snel: ‘En dat was fijn, want de docenten vonden het stuk he-le-maal niets.’

Aluin was vertrokken. Er volgden een aantal jaren van zoeken naar vorm, stijl en inhoud. ‘Aanvankelijk was alles wat we deden eigenlijk knutselen en boetseren. Het was heel uiteenlopend: van cabareteske scènes tot heel abstract theater.’

De voorstelling Medea in 1997 bleek een sleutelmoment te worden voor het gezelschap. Daar ontdekte Snel de kracht van oude verhalen waarvan hij zo is gaan houden, en wat de signatuur van het gezelschap werd. ‘Er is in dat stuk van Euripides sprake van een soort grove vorm van een verhaal, waarin ongelofelijk veel zit maar heel weinig wordt opgedrongen. Natuurlijk is het niet niks: een vrouw die uit wraak haar eigen kinderen vermoordt, maar er wordt nauwelijks gerept over plek of de stemmingen waarin de personages zijn. Dat geeft je als theatermaker dus toch een enorme vrijheid.’

Sindsdien zijn er bij Aluin voornamelijk klassiekers en nieuw geschreven werk gebaseerd op klassiekers voorbijgekomen. Het gezelschap ontwikkelde een kenmerkende speelstijl: vol vaart, dicht op de huid van het publiek en niet vies van de grote emotie. Een voorstelling moet bovendien niet al te zwaar zijn, benadrukt Snel. ‘Het hoeven geen dijenkletsers te zijn, maar ik vind een bepaalde lichtheid heel belangrijk. Mensen denken vaak dat die klassiekers heel serieus zijn, maar als ik die oude teksten lees, moet ik daar vaak heel hard om lachen. Neem het personage Cassandra: een vrouw die een gave krijgt, namelijk dat ze kan voorspellen. Maar tegelijkertijd krijgt ze ook een vloek: niemand gelooft haar. Dat is toch hilarisch en tragisch tegelijk?’

Volgens Snel is Nederland enerzijds een theaterland en anderzijds helemaal niet. ‘Er zijn heel weinig mensen die niet van theater houden, maar er zijn betrekkelijk weinig mensen die naar theater gaan.’ Een goed verhaal helpt om die drempel voor veel mensen weg te nemen, denkt Snel. ‘Om het oneerbiedig te zeggen: het Rijksmuseum is verhalender dan het Stedelijk Museum, en daar zie je dus ook een ander publiek. Ik heb liever dat mensen na afloop naar me toekomen en zeggen: “Wat een verhaal, dat had ik echt niet zien aankomen!” dan dat ze achteraf zeggen: “Interessant, maar ken jij die interpretatie van Heiner Müller eigenlijk?”’

Tien jaar geleden fuseerde het gezelschap met de theaterstichting De Zus van Roos van Victorine Plante, die sindsdien samen met Snel de artistieke leiding op zich neemt. Ze ontwikkelden een concept dat ze ‘Unplugged’ noemden: sober geënsceneerde voorstellingen, zonder decor of lichtplan en vooral: zonder coulissen. Als acteur kun je dus niet op of af, maar ben je voortdurend aan het spelen. Voorstellingen waren daardoor niet meer gebonden aan de theaterzaal, maar konden op elke locatie spelen. ‘Als je het goed doet, kan je met slechts drie acteurs enorme werelden verbeelden. Als ik zeg dat ik de koning van Korinthe ben, dan is dat zo. Dat is de magie en daar willen we allemaal in meegaan. Niet alleen de acteurs op het toneel zijn in wezen kinderen die van spelen houden, maar de toeschouwers in de zaal zijn dat ook.’

Met de Unplugged-reeks vond Aluin een vorm om klassiekers in een toegankelijk jasje te gieten. Sindsdien vormt de serie een wezenlijk onderdeel van het gezelschap. In 2017 heeft Aluin bijvoorbeeld De Hervormers gemaakt, over Maarten Luther, Desiderius Erasmus en Paus Adriaan VI. De voorstelling speelde onder meer in musea. ‘Dan breng je die historische figuren tot leven tussen de schilderijen waar ze zelf op staan afgebeeld. Je moet zo’n voorstelling beschouwen als een soort voorstel: dit is onze Luther, zo had ‘ie kunnen praten met Erasmus.’ Ook baseerden ze sinds 2012 voorstellingen op de lesstof van het vwo, zoals dit jaar de voorstelling Bakchanten (naar Euripides), waarmee ze langs 75 gymnasia door heel Nederland toeren, ter voorbereiding op de eindexamens.

Snel: ‘Ik ben altijd jaloers geweest op muzikanten, die gewoon met hun gitaarkoffertje naar een kroeg gaan en dan beginnen te spelen. Dat wilde ik ook kunnen. Op een bepaalde manier zijn we nu weer terug bij waar we destijds in De Bastaard zijn begonnen: je tovert een plek om tot speelplek, speelt een voorstelling en dan tover je hem weer terug.’