Theater
Zonderlingen van Johannes Wirix-Speetjens. Gezien: 13/2, livestream via CC De Herbakker (Eeklo). Inl: hnt.nl


‘Als Angelo een kartonnen doos was geweest’, zegt Johannes Wirix-Speetjens halverwege zijn theatersolo Zonderlingen, ‘dan stond er zeker en vast geen “fragile” op geschreven. Hij was onbreekbaar.’ Maar niemand is onbreekbaar, en het personage staat onverbiddelijk alleen op het podium. Angelo, zijn grote liefde, stapte uit het leven, onverwacht, vlak voor het avondeten. De tafel was al gedekt.

Zonderlingen is de eerste voorstelling die Johannes Wirix-Speetjens (1997) maakte na zijn afstuderen op het Koninklijke Conservatorium in Antwerpen. Hij werd daarbij gecoacht door Peter De Graef en Bruno Vanden Broecke. De monoloog is onderdeel van ‘Trappelend Talent’, een door Vanden Broecke geselecteerd aanbod aan voorstellingen van jonge theatermakers. In dat kader werd de voorstelling afgelopen zaterdag gelivestreamd vanuit een lege theaterzaal in CC De Herbakker in het Vlaamse Eeklo. Als de coronamaatregelen het toelaten staat Wirix-Speetjens met deze voorstelling later onder andere nog in Het Nationale Theater in Den Haag.

De voorstelling bestaat uit twee delen die in veelzeggend contrast tot elkaar staan: aanvankelijk schetst Wirix-Speetjens hoe zijn (gelijknamige) personage op een markt in Rome – waar hij voor zijn werk als danser verblijft – in de ban raakt van een man. Na een verleidelijk kat- en muisspel van elkaars blikken, wisselen ze nummers uit, en zo ontkiemt een hartstochtelijke romance. Wirix-Speetjens toont zich, zowel in anekdotes als in taal, een ware romanticus; hij voert zijn personages naar Romeo en Julia’s balkon in Verona en dweept met grote emoties. Dat het allemaal niet al te mierzoet wordt, komt voor een groot deel omdat hij zichzelf aan het begin van de voorstelling bij een therapeute opvoerde, en je dus meteen aanvoelt (en voortdurend doorvoelt) dat deze kalverliefde een groot onheil boven het hoofd hangt.

Dat onheil komt dus halverwege, als de tot dan toe wat wijdlopige anekdote ineens vernauwt en Wirix-Speetjens is beland bij waar het hem om draait: het verdriet van de achterblijver. In treffende observaties en metaforen, afwisselend poëtisch en banaal, toont hij het scala aan emoties na de plotse dood van Angelo. Het personage voelt zich gehalveerd. Als hij het leven vóór Angelo’s dood in een tekening moet vangen dat zijn dat twee borden, twee vorken, twee messen, twee wijnglazen. Nu is dat er van alles één. Hij laveert tussen woede (‘Je hebt me mijn afscheid afgepakt’), moedeloosheid (‘Ik heb het leven door nu: je komt op de wereld, leert mensen kennen, begint om ze te geven en je raakt ze kwijt’) tot aan een voorzichtig herpakken: een nieuwe toevallige ontmoeting, een botsing op straat, en dan iemand die je overeind houdt.

Dát is Zonderlingen: een hartenkreet om iemand die je overeind houdt, terwijl het leven je uit evenwicht brengt. Zoals Atlas de wereld op zijn schouders meetorst, draagt dit personage een onpeilbaar verdriet met zich mee, dat onverbiddelijk boven zijn hoofd hangt. Johannes Wirix-Speetjens onderzoekt hoe je die last weer verlicht, hoe je hem met je mee leert te dragen, en hoe de zekerheid hem nooit kwijt te zullen raken je niet langer verlamt. Zonderlingen is een gedurfde solo, die gemakkelijk in melodrama had kunnen omslaan, maar door de sterke tekst vol sprekende observaties en metaforen, en het integere, aardse spel van Wirix-Speetjens juist onverwacht naar de keel grijpt.